Deze civiele zaak betreft een geschil over het verhaalsrecht van Allianz als WAM-verzekeraar na een verkeersongeval waarbij de bedrijfsauto van [v.o.f.01] betrokken was. De bestuurder van deze auto reed roekeloos met 100-120 km/u waar 50 km/u was toegestaan en veroorzaakte een botsing met een auto die zonder verlichting vanaf een tankstation de rijbaan opreed.
Allianz had een buitengerechtelijke regeling getroffen met de benadeelde [naam01] en vorderde vervolgens van [v.o.f.01] c.s. vergoeding van de uitgekeerde schade en kosten, gebaseerd op het verhaalsbeding in de verzekeringsvoorwaarden. [v.o.f.01] c.s. betwistte het verhaalsrecht en de hoogte van de vordering. In reconventie vorderden zij dat de verzekering zou herleven en de schade onder de verzekering viel.
De rechtbank stelde vast dat het ongeval werd veroorzaakt door het roekeloze rijgedrag van de verzekerde en dat Allianz terecht dekking had uitgesloten. De eigen schuld van de benadeelde werd vastgesteld op 25%, vanwege het zonder verlichting rijden. Allianz had de redelijkheid van de buitengerechtelijke schaderegeling voldoende onderbouwd. De buitengerechtelijke kosten van de belangenbehartiger werden deels toegewezen, evenals buitengerechtelijke incassokosten van Allianz, maar interne kosten werden afgewezen.
De rechtbank veroordeelde [v.o.f.01] c.s. tot betaling van €15.849,05 plus wettelijke rente en wees de vorderingen in reconventie af. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten in conventie, terwijl [v.o.f.01] c.s. in reconventie werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan Allianz.