ECLI:NL:RBROT:2023:11558

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 december 2023
Publicatiedatum
8 december 2023
Zaaknummer
10528225 CV EXPL 23-15304
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 RvArt. 236 lid 1 RvArt. 237 RvArt. 233 RvArt. 4 lid 2 onder c Rome I-Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens gezag van gewijsde en veroordeling in proceskosten

In deze procedure vordert eiser diverse bedragen gerelateerd aan schadeherstel, reiskosten, juridische bijstand, servicekosten en achterstallige huur voor een gehuurde woonruimte die reeds eerder onderwerp van een procedure was. Gedaagde stelt dat deze vorderingen reeds in een eerdere procedure zijn behandeld en onherroepelijk zijn geworden, waardoor het gezag van gewijsde van toepassing is.

De kantonrechter stelt vast dat de eerdere procedure met zaaknummer 10093316 CV EXPL 22-27837 betrekking had op dezelfde rechtsbetrekking en dat de vorderingen in deze procedure identiek zijn aan die in reconventie in de eerdere procedure. Omdat het eerdere vonnis onherroepelijk is en bindende kracht heeft, wijst de rechtbank de vorderingen af.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat eiser misbruik maakt van procesrecht door opnieuw dezelfde vorderingen in te stellen en veroordeelt eiser in de volledige proceskosten van gedaagde, vastgesteld op € 2.601,50. De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Alle vorderingen worden afgewezen wegens gezag van gewijsde en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10528225 CV EXPL 23-15304
datum uitspraak: 24 november 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van

1.[eiser01] ,

2. [eiser02],
wonend in [woonplaats01] (België),
eisers,
gemachtigde: mr. R.G.J.M. van Voorst tot Voorst,
tegen

1.[gedaagde01] ,

2. [gedaagde02],
wonend in het Verenigd Koninkrijk,
gedaagden,
gemachtigde: mr. P.S. Folsche.
De partijen worden hierna (in mannelijk enkelvoud) ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 22 mei 2023, met bijlagen;
  • het ‘verzoek tot toevoeging van een productie’, met een usb stick met bestanden,
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de repliek, met bijlagen;
  • de dupliek.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[gedaagde01] heeft vanaf 19 december 2019 van [eiser01] de woonruimte aan de [adres01] in Rotterdam gehuurd. Op 3 januari 2021 heeft [gedaagde01] het gehuurde ontruimd.
2.2.
Tussen partijen bestaat al langer een omvangrijk (financieel) geschil over de door [gedaagde01] betaalde huurprijs, de door de Huurcommissie in een uitspraak vastgestelde lagere huurprijs, de afrekening servicekosten, de door [gedaagde01] betaalde borg en schade die [eiser01] zegt te hebben geleden omdat [gedaagde01] het gehuurde niet goed zou hebben opgeleverd. Die schade bestaat volgens [eiser01] zowel uit herstelkosten als uit een vergoeding voor de periode dat herstelwerkzaamheden hebben plaatsgevonden.
2.3.
[eiser01] vordert in deze procedure een bedrag van € 7.925,50 in verband met schadeherstel, reiskosten en juridische bijstand, € 14.030,85 als vergoeding voor de periode waarin schadeherstel heeft plaatsgevonden, € 6.824,36 aan servicekosten en € 4.408,56 aan achterstallige huur voor de (volgens [eiser01] apart verhuurde) inboedel van het gehuurde. Daarnaast vordert [eiser01] over alle bedragen wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten en oplegging van een dwangsom voor het geval niet betaald wordt. Tot slot heeft [eiser01] ook een aantal verklaringen voor recht gevorderd, die allemaal samenhangen met de (grondslag voor de) vorderingen tot betaling van de hiervoor genoemde bedragen.
2.4.
[gedaagde01] concludeert – kort samengevat – dat [eiser01] al deze vorderingen al eens heeft ingesteld in een eerdere procedure tussen partijen. Die procedure is aanhangig geweest onder zaaknummer 10093316 CV EXPL 22-27837. In die zaak is op 31 maart 2023 vonnis gewezen. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld, zodat het onherroepelijk is. [gedaagde01] beroept zich op het gezag van gewijsde van dit vonnis. Omdat [eiser01] met deze nieuwe procedure misbruik maakt van procesrecht, wil [gedaagde01] een vergoeding van zijn volledige proceskosten à € 2.601,50.
2.5.
Volgens [eiser01] staat het vonnis van 31 maart 2023 niet in de weg aan het toewijzen van zijn vorderingen in deze procedure, omdat de zaak met zaaknummer 10093316 CV EXPL 22-27837 over de door [gedaagde01] te veel betaalde huur zou zijn gegaan (als gevolg van de uitspraak van de Huurcommissie waarin een lagere huurprijs is vastgesteld) en deze nieuwe zaak over de schade die [gedaagde01] heeft veroorzaakt en die [eiser01] vergoed wil zien.
De rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht
2.6.
Omdat partijen beiden niet in Nederland wonen, heeft deze zaak een internationaal karakter. De kantonrechter moet daarom eerst (ambtshalve) vaststellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht van toepassing is.
2.7.
Op grond van artikel 6 aanhef Pro en onder f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat het gaat om de huur van een onroerende zaak die in Nederland is gelegen.
2.8.
Op grond van artikel 4 lid 2 onder Pro c van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2009 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I‑Vo) is Nederlands recht van toepassing, omdat het gaat om de huur van een onroerende zaak die in Nederland is gelegen.
Alle vorderingen worden afgewezen wegens het gezag van gewijsde
2.9.
De kantonrechter kan kort zijn over de vorderingen van [eiser01] : deze moeten inderdaad worden afgewezen omdat over al deze vorderingen al is beslist in het vonnis van 31 maart 2023.
2.10.
In artikel 236 lid 1 Rv Pro is bepaald:
“Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen partijen bindende kracht.”
2.11.
Het gaat in deze procedure om dezelfde rechtsbetrekking als in de procedure met zaaknummer 10093316 CV EXPL 22-27837. Anders dan [eiser01] lijkt te willen betogen (maar dat wordt niet helemaal duidelijk uit de conclusie van repliek) wordt daarbij niet alleen gekeken naar de vorderingen die in de eerdere procedure in conventie zijn ingesteld. [eiser01] heeft in die procedure in reconventie vorderingen ingesteld en ook daarop is beslist. De huidige vorderingen van [eiser01] zijn, zoals [gedaagde01] terecht opmerkt en overzichtelijk in een schema heeft gezet, gelijk aan de vorderingen die [eiser01] in de vorige procedure in reconventie heeft ingesteld; alleen de bedragen van de buitengerechtelijke kosten en de rente verschillen. De grondslagen voor de vorderingen die destijds in reconventie zijn ingesteld en de vorderingen in deze procedure zijn exact hetzelfde. Het gaat dus om ‘de rechtstrekking in geschil’ als bedoeld in artikel 236 lid 1 Rv Pro.
2.12.
Vast staat dat het vonnis van 31 maart 2023 in kracht van gewijsde gegaan is. Er is immers geen hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. De termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken. Het is dus onherroepelijk.
2.13.
Vast staat ook dat de procedure met zaaknummer 10093316 CV EXPL 22-27837 en deze procedure tussen dezelfde partijen wordt gevoerd.
2.14.
Kortom, aan alle elementen van artikel 236 lid 1 Rv Pro is voldaan. Dat betekent dat het vonnis van 31 maart 2023 bindende kracht heeft tussen partijen. Dat betekent weer dat de kantonrechter in deze procedure geen nieuwe beslissing mag geven over de vorderingen die [eiser01] nu wederom heeft ingesteld. Omdat de hoofdvorderingen niet toewijsbaar zijn, geldt dat ook voor de daaraan gekoppelde nevenvorderingen (rente en buitengerechtelijke kosten).
Proceskosten
2.15.
[eiser01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter ziet aanleiding om [eiser01] , zoals door [gedaagde01] gevraagd, te veroordelen in de werkelijke proceskosten van [gedaagde01] . Het beginsel van gezag van gewijsde had bij [eiser01] – althans zijn gemachtigde – bekend moeten zijn en dit had hem ervan moeten weerhouden om een nieuwe procedure te starten en daarin weer vorderingen in te stellen waarop al is beslist. De argumentatie die [eiser01] heeft gebruikt om toch een nieuw oordeel te vragen, snijdt op manier hout. [eiser01] jaagt [gedaagde01] nodeloos op extra kosten. Dat levert misbruik van procesrecht op. De kantonrechter stelt de proceskosten aan de kant van [gedaagde01] dus vast op € 2.601,50. [eiser01] heeft tegen de hoogte van dat bedrag geen verweer gevoerd en het komt de kantonrechter redelijk voor, gelet op de omvang van de processtukken van [eiser01] . Voor kosten die [gedaagde01] maakt na deze uitspraak moet [eiser01] een bedrag betalen van € 132,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist. [1]
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.16.
Dit vonnis wordt wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [eiser01] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag worden vastgesteld op € 2.601,50;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken.
51909

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853