Eiseres kreeg vijf naheffingsaanslagen opgelegd wegens het parkeren zonder betaling op de Jonker Fransstraat te Rotterdam, terwijl haar parkeervergunning niet geldig was voor deze locatie. De naheffingsaanslagen bedroegen elk €69,10, inclusief kosten naheffing.
Eiseres stelde bezwaar en beroep in tegen deze aanslagen en verzocht om matiging op basis van het evenredigheidsbeginsel, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het gerechtshof Den Haag. Zij voerde aan dat de naheffingen in een kort tijdsbestek zijn opgelegd terwijl zij in het bezit was van een parkeervergunning.
De rechtbank oordeelde dat het hier gaat om gebonden beschikkingen waarbij de belastingplicht ontstaat zodra het belastbare feit zich voordoet. Omdat eiseres geparkeerd had zonder geldige vergunning en zonder betaling, was de naheffing terecht opgelegd. De rechtbank achtte het totaalbedrag van de naheffingen niet zo hoog dat het evenredigheidsbeginsel een verdere toetsing rechtvaardigde. Een toetsing aan innerlijke redelijkheid en billijkheid van wetgeving is niet aan de rechter. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard.