Uitspraak
Datum: 18 mei 2022
mr. G. Snijders
Raad van State
Deze uitspraak betreft twee zaken waarin appellanten bezwaar maken tegen de afwijzing van hun aanvragen voor kinderopvangtoeslag over een periode die meer dan drie maanden vóór de aanvraagdatum ligt. Artikel 1.3 lid 2, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang (Wko) sluit aanspraak op toeslag uit voor die periode. De kernvraag is of deze wettelijke beperking kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4 lid 2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad van State overweegt dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro de rechter in principe verbiedt om wetten in formele zin, zoals de Wko, te toetsen aan algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Echter, in gevallen waarin de wetgever niet heeft voorzien en bijzondere omstandigheden zich voordoen, kan toetsing aan het evenredigheidsbeginsel mogelijk zijn. Dit betreft situaties die niet adequaat zijn verdisconteerd bij de totstandkoming van de wet.
In de concrete zaken waren appellanten niet op de hoogte van de korte termijn voor het aanvragen van toeslag en liepen zij aanzienlijke financiële schade. De conclusie is dat in dergelijke gevallen de toepassing van artikel 1.3 lid 2 Wko mogelijk onevenredig is en daarom buiten toepassing kan worden gelaten, mits nader feitelijk onderzoek en beoordeling plaatsvinden. De Raad benadrukt dat dit niet betekent dat het toetsingsverbod wordt opgeheven, maar dat uitzonderingen mogelijk zijn bij niet-verdisconteerde omstandigheden.
De uitspraak bevat een uitgebreide analyse van het toetsingsverbod, de reikwijdte van het evenredigheidsbeginsel in de Awb en Awir, de wetsgeschiedenis van de Wko, en de jurisprudentie over contra legem toepassing van rechtsbeginselen. Het oordeel bevestigt de terughoudendheid van de rechter bij toetsing van formele wetten, maar erkent ruimte voor maatwerk in bijzondere gevallen.
Uitkomst: Het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet staat in beginsel toetsing van de wettelijke terugwerkende kracht bij kinderopvangtoeslag aan het evenredigheidsbeginsel in de weg, behalve bij bijzondere niet-verdisconteerde omstandigheden.