ECLI:NL:RBROT:2023:11673

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 december 2023
Publicatiedatum
12 december 2023
Zaaknummer
ROT 23/774, ROT 23/775, ROT 23/776, ROT 23/777 en ROT 23/778
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.C.W. van der Feltz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3:4 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslagen parkeerbelasting niet gematigd op grond van evenredigheidsbeginsel

Eiser is geconfronteerd met vijf naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Rotterdam wegens parkeren zonder betaalde parkeerbelasting op de locatie Nieuwe Binnenweg te Rotterdam. Hoewel eiser in het bezit is van een parkeervergunning, gold deze niet voor de betreffende locatie en tijdstippen waarop de overtredingen plaatsvonden.

Eiser betoogde dat de naheffingsaanslagen gematigd moesten worden op grond van het evenredigheidsbeginsel, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het gerechtshof Den Haag. De rechtbank overweegt dat het hier gaat om gebonden beschikkingen, waarbij de belastingplicht ontstaat zodra het belastbare feit zich voordoet. Omdat eiser niet op de juiste wijze parkeerbelasting heeft voldaan en de vergunning niet geldig was op de overtredingstijden, is het opleggen van naheffingsaanslagen terecht.

De rechtbank erkent dat een opeenstapeling van naheffingsaanslagen tot een hoog totaalbedrag kan leiden, maar stelt dat in deze zaak die grens niet is bereikt. Een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel zou neerkomen op een beoordeling van de billijkheid van de wetgeving zelf, wat niet tot de taak van de rechter behoort. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslagen parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en matiging op grond van het evenredigheidsbeginsel wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/774, ROT 23/775, ROT 23/776, ROT 23/777 en ROT 23/778

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2023 in de zaken tussen

[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft eiser bij beschikking van 22 september 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer 1], ROT 23/774)
Verweerder heeft eiser bij beschikking van 16 september 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer 2], ROT 23/775)
Verweerder heeft eiser bij beschikking van 22 september 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer 3], ROT 23/776)
Verweerder heeft eiser bij beschikking van 16 september 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer 4], ROT 23/777)
Verweerder heeft eiser bij beschikking van 22 september 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer 5], ROT 23/778)
Bij uitspraken op bezwaar van 23 januari 2023 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de aanslagen ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld en gevraagd om een gezamenlijke behandeling.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting, omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn. Daartoe overweegt zij als volgt.
2. Aan eiser zijn naheffingsaanslagen opgelegd waarop staat vermeld dat
  • op 10 september 2022 om 15:26 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken] stond geparkeerd op locatie Nieuwe Binnenweg te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan (23/774)
  • op 6 september 2022 om 13:24 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken] stond geparkeerd op locatie Nieuwe Binnenweg te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan (23/775)
  • op 8 september 2022 om 14:06 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken] stond geparkeerd op locatie Nieuwe Binnenweg te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan (23/776)
  • op 5 september 2022 om 16:53 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken] stond geparkeerd op locatie Nieuwe Binnenweg te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan (23/777)
  • op 9 september 2022 om 18:45 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken] stond geparkeerd op locatie Nieuwe Binnenweg te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan (23/778)
3. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.
3.1.
Er bestaat geen geschil over dat op de desbetreffende locatie parkeerbelasting verschuldigd was. Verder is niet in geschil dat eiser beschikt over een voor sector 53 afgegeven parkeervergunning. Verweerder heeft gesteld, en door eiser is niet betwist, dat de parkeervergunning niet geldt voor de locatie Nieuwe Binnenweg van maandag tot zaterdag van 9:00 uur tot 18:00 uur en op koopavonden tot 21:00 uur.
4. Eiser vraagt in beroep om matiging van het aantal naheffingen op grond van het evenredigheidsbeginsel neergelegd in artikel 3:4, tweede lid van de Awb omdat de naheffingen in een kort tijdsbestek zijn opgelegd, terwijl eiser in het bezit is van een parkeervergunning. Hij voert onder meer aan, dat ook bij een gebonden naheffingsaanslag in de parkeerbelasting dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en van 18 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1441. Tevens verwijst eiser naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 10 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3414, r.o. 5.3.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. Het gaat in deze om gebonden beschikkingen, waarbij uit de wetgeving voortvloeit dat, indien een belastbaar feit zich voordoet, de belasting verschuldigd wordt. Vaststaat dat eiser heeft geparkeerd op tijden dat zijn parkeervergunning niet gold, daarom kan niet worden gesteld dat hij geparkeerd heeft met een geldige vergunning. Nu eiser ook niet op de reguliere wijze parkeerbelasting heeft afgedragen, was verweerder bevoegd de naheffingen op te leggen. Opzet of (ernstige) verwijtbaarheid van belanghebbende zijn niet vereist. Het tijdsverloop tussen de constatering van de overtreding en de toezending van de naheffing is niet zodanig dat verweerder op dit punt onzorgvuldigheid kan worden verweten. De rechtbank acht voorstelbaar, dat het opleggen van een reeks van naheffingsaanslagen met één oorzaak leidt tot een zo groot totaalbedrag dat niet langer kan worden volgehouden dat de wetgever daar het oog op kan hebben gehad bij de toedeling van de bevoegdheid om de naheffingsaanslag op te leggen (zie de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam 22 december 2022, ECLI:NLGHAMS:2022:3698). Met de naheffingen in deze zaken is naar het oordeel van de rechtbank die grens niet bereikt. De rechtbank kan de naheffingsaanslagen niet (verdergaand) toetsen aan de evenredigheid, nu zo’n toets neer zou komen op een beoordeling van de innerlijke redelijkheid en billijkheid van wetgeving (zie de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 14 september 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1780).
6. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Tchang, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.