Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Bureau Financieel Toezicht, verweerder (BFT)
Inleiding
- namens eiseres: haar gemachtigde en haar bestuurders [bestuurder 1] en [bestuurders 2] ;
- namens BFT: haar gemachtigde en haar toezichthouders mr. D.S. Kolkman CFE en mr. C.S.M. Sikkens.
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de rechtbank
- het feit dat in de periode van 14 februari 2016 tot en met 14 februari 2017 door de [klant] een hoge contante omzet van € 4.839.802,77 ten opzichte van de totale omzet van € 5.986.499,58 is behaald (maar liefst 80% van het totaal);
- het feit dat in deze periode door de [klant] een opmerkelijk grote hoeveelheid aan bankbiljetten van € 500,00 en € 200,00 is afgestort zonder dat is te herleiden met welke transacties die bankbiljetten zijn verkregen;
- het feit dat in de periode februari 2016 tot en met maart 2017 door de [klant] in totaal een bedrag van € 4.839.802,77 aan contant geld is gestort, waarvan € 735.000,00 in de vorm van 1210 bankbiljetten van € 500,00 (ongeveer 3 per dag) en 650 bankbiljetten van € 200,00.
- de wetgever met de definitie van ‘transactie’ duidelijk heeft willen maken dat een ongebruikelijke transactie altijd moet worden gemeld als een instelling daarvan ten behoeve van haar dienstverlening aan de cliënt heeft kennisgenomen. Ook een passieve betrokkenheid van de instelling doordat zij wetenschap van de transactie heeft, kan de meldingsplicht activeren. Een direct of causaal verband tussen de (ongebruikelijke) transactie en de werkzaamheden van de instelling is niet vereist;
- de wetgever bij de woorden ‘handeling of samenstel van handelingen van of ten behoeve van een cliënt’ nadrukkelijk bij de Eerste Witwasrichtlijn en Derde Witwasrichtlijn aansluiting heeft gezocht. In de Eerste Witwasrichtlijn is bepaald dat de meldplicht geldt voor ieder feit dat op witwassen zou kunnen wijzen. In de Derde Witwasrichtlijn is bepaald dat de meldplicht ziet op alle gevallen, wanneer de instelling van (een poging tot) witwassen of terrorismefinanciering weet, dat vermoedt of een goede reden heeft dat te vermoeden;
- alleen die feiten of omstandigheden van de meldplicht zijn uitgezonderd waarvan de instelling kennisneemt in het kader van haar dienstverlening die buiten de reikwijdte van de Wwft vallen (zoals niet-Wwft-plichtige diensten of vrijgestelde werkzaamheden). Ook transacties tussen of door derden waarbij de instelling noch de cliënt niet zijn betrokken vallen buiten de meldplicht.
Uit de MvT blijkt dat kennis van een samenstel van handelingen van een cliënt die de instelling ten behoeve van dienstverlening aan die cliënt heeft verkregen, voldoende is om dat samenstel van handelingen als een transactie in de zin van de Wwft aan te merken. Eiseres betwist niet dat zij op 14 juli 2017 bij (gefactureerde) werkzaamheden ten behoeve van dienstverlening aan de [klant] kennis heeft genomen van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam en daardoor wetenschap heeft van de aantallen van de gestorte coupures. De omstandigheid dat eiseres de aantallen coupures niet zelf heeft kunnen waarnemen of verifiëren doet aan deze wetenschap niet af.
Verder is de rechtbank niet van de in de MvT omschreven uitzonderingen gebleken.
Het gaat hier om de omzet van de [klant] . Het is duidelijk dat de [klant] de bankbiljetten heeft gestort en dus dat deze cliënt van eiseres bij die transactie betrokken is geweest. Daarnaast heeft eiseres niet gesteld dat zij in de periode waarop de verweten gedraging ziet voor de [klant] ook niet-Wwft-plichtige diensten heeft verleend of vrijgestelde werkzaamheden heeft verricht.