ECLI:NL:CBB:2009:BK4209
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- M.A. van der Ham
- H.A.B. van Dorst-Tatomir
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke vernietiging last onder dwangsom Wet MOT wegens ontbreken meldplicht
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of appellant, een belastingadviseur, verplicht was een melding te doen van een ongebruikelijke transactie onder de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT) en of het Bureau Financieel Toezicht (BFT) bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen wegens het niet voldoen aan die meldplicht.
Appellant had in 2005 een cliënt bijgestaan bij een fiscale vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst over vermeende niet opgegeven omzet en belastingen uit de jaren 1998 tot en met 2003. BFT stelde dat appellant een meldplicht had op grond van de Wet MOT en legde hem een last onder dwangsom op. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde anders.
Het College stelde vast dat de meldplicht onder artikel 9, eerste lid, Wet MOT alleen geldt voor ongebruikelijke transacties die verband houden met de door de dienstverlener beroeps- of bedrijfsmatig verleende dienst. In dit geval betrof de vermeende ongebruikelijke transactie het buiten het zicht van de fiscus houden van gelden uit eerdere jaren, die niet viel onder de in 2005 verleende dienst. Daardoor was appellant niet meldingsplichtig en had BFT niet de bevoegdheid een last onder dwangsom op te leggen. Het College vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde BFT in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het College vernietigt het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom en verklaart het beroep van appellant gegrond.