ECLI:NL:RBROT:2023:12766

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 oktober 2023
Publicatiedatum
1 februari 2024
Zaaknummer
ROT 21/5601 (einduitspraak)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende motivering medische geschiktheid

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV waarin haar geschiktheid tot het verrichten van haar arbeid als schoonmaakster werd beoordeeld. De rechtbank verwijst naar een eerdere tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, maar dat de motivering van het medische oordeel onvoldoende was, met name ten aanzien van de psychische klachten van eiseres.

Verweerder heeft vervolgens aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd, waarin werd geconcludeerd dat de PTSS en borderline persoonlijkheidsstoornis geen belemmering vormen voor de arbeid. Eiseres betoogde dat dit motiveringsgebrek niet was hersteld en verzocht om inschakeling van een deskundige.

De rechtbank oordeelt dat de aanvullende rapporten onvoldoende inzicht en concludente motivering bieden, met onduidelijkheid over de betekenis van de mogelijkheid tot recuperatie en de mentale belastbaarheid. Gezien deze tekortkomingen wordt het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

De rechtbank draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, vergoedt het griffierecht aan eiseres en veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten. Er wordt geen tweede bestuurlijke lus toegepast omdat dit niet als doelmatig wordt gezien.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering; verweerder moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/5601

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2023 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. L.A. Alderlieste,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: [naam gemachtigde] .

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 16 februari 2023 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld een gebrek in het besluit op bezwaar van 27 september 2021 (het bestreden besluit) te herstellen.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 maart 2023 toegestuurd en het bestreden besluit aanvullend gemotiveerd.
Eiseres heeft bij brief van 12 april 2023 een schriftelijke zienswijze gegeven.
Verweerder heeft nogmaals een aanvullende motivering gegeven met de toezending van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 mei 2023.
Eiseres heeft hierop bij brief van 29 mei 2023 gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en sluit het onderzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De voorgeschiedenis in deze zaak, de inhoud van het primaire besluit en het besluit op bezwaar, het wettelijk kader en het beoordelingskader, de gronden van beroep en het verweer zijn weergegeven in de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Naar het oordeel van de rechtbank was het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt echter onvoldoende gemotiveerd, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende had gemotiveerd waarom wat eiseres heeft aangevoerd, met name met betrekking tot haar psychische klachten, niet leidt tot de conclusie dat zij ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid. De rechtbank heeft verweerder daarom opgedragen om nader te motiveren dat eiseres geschikt is voor haar eigen werk als schoonmaakster.
Herstelpoging
3. Om het geconstateerde gebrek te herstellen heeft verweerder twee rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd. In deze rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de PTSS en de borderline persoonlijkheidsstoornis bij eiseres geen belemmerende factoren zijn om de maatstaf ‘zijn arbeid’ uit te voeren.
In het rapport van 2 maart 2023 neemt de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt in dat er inderdaad sprake is van de diagnoses borderline stoornis en PTSS, maar dat de medische beperkingen die voortvloeien uit deze diagnoses afhangen van de afwijkingen die bij het onderzoek worden gevonden. In het rapport verwijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het (primaire) medische onderzoek van 15 april 2021 (vier dagen voor de datum in geding), waarbij de verzekeringsarts in feite geen afwijkingen constateerde op psychisch gebied. Wel geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan dat er in verband met de PTSS sprake moet zijn van een “
algemene stressbeperking”. Zijns inziens is eiseres bestand tegen de fysieke stress en vermoeidheid die uit het werk van schoonmaakster voortvloeien, omdat het werk met een lage complexiteit is en eiseres het resterende deel van de week kan recupereren van de fysieke stress. Over de borderline problematiek merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat, hoewel dit niet zeer duidelijk aan de oppervlakte ligt bij eiseres, het toch te adviseren is om haar beperkingen op te leggen in omstandigheden die per definitie stress veroorzaken in het sociaal functioneren. Maar bij het schoonmaakwerk dat eiseres verrichtte voor (afgerond) 20 uur per week kwamen deze stresserende factoren niet voor, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiseres moet dan ook in staat worden geacht voor de maatstafarbeid. Dat uit de medische stukken blijkt dat eiseres nog een IQ test zal ondergaan en dat er een nader onderzoek gaat plaatsvinden, geven geen aanleiding om op een voorhand een ander standpunt in te nemen.
In het rapport van 15 mei 2023 overweegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat hij op basis van de informatie die ten tijde van de tussenuitspraak beschikbaar was, heeft geconcludeerd dat er ten tijde van de datum in geding ook sprake moet zijn geweest van beperkingen op mentaal gebied. Op dat moment heeft hij alsnog getoetst of de belasting van de maatstaf ‘zijn arbeid’ binnen de belastbaarheid van eiseres viel. Naar de mening van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dat het geval. Hij geeft daarnaast aan deze conclusie aanvankelijk niet te hebben getrokken, omdat de genoemde diagnoses pas in de loop van de procedure aan het dossier werden toegevoegd.
4. Eiseres heeft in haar zienswijzen betoogd dat verweerder het geconstateerde gebrek niet heeft hersteld en heeft de rechtbank verzocht om een deskundige in te schakelen.
Beoordeling
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. De rechtbank is van oordeel dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 maart 2023 en van 15 mei 2023 niet inzichtelijk en concludent zijn. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende is onderbouwd waarom de door eiseres overgelegde medische stukken geen aanleiding geven een ander standpunt in te nemen over de geschiktheid van eiseres voor haar werk als schoonmaakster, met name gezien de daarin gestelde diagnoses en het feit dat uit die stukken blijkt dat eiseres op de wachtlijst staat voor een psychodiagnostisch onderzoek voor het bepalen van haar IQ en mogelijke ADHD. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat onduidelijk is wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bedoeld met de opmerking dat eiseres in staat is om te recupereren op de uren dat zij niet werkt en hoe dat ertoe leidt dat eiseres daarom in staat moet worden geacht om de belasting op mentaal gebied (werkdruk en prikkels) in de maatstafarbeid aan te kunnen.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft in zijn rapport van 2 maart 2023 wel aan dat bij eiseres sprake is van de diagnoses PTSS en een borderline stoornis, maar dat de medische beperkingen die voortvloeien uit deze diagnoses afhangen van de afwijkingen die bij het onderzoek worden gevonden. Vervolgens geeft hij aan dat bij het (primaire) onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden. Anderzijds neemt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit rapport wel een algemene stressbeperking aan in verband met de PTSS en ziet hij aanleiding om beperkingen op te leggen in omstandigheden die per definitie stress veroorzaken in het sociaal functioneren in verband met de borderline stoornis. Zonder nadere motivering kan de rechtbank deze conclusie ten aanzien van de aanvullende beperkingen, evenals de conclusie dat eiseres ook met deze beperkingen nog altijd in staat moet worden geacht de maatstafarbeid aan te kunnen, niet volgen. Daarbij merkt de rechtbank op dat – anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 15 mei 2023 stelt – de diagnoses PTSS en borderline niet pas ten tijde van de tussenuitspraak beschikbaar kwamen, maar ook volgen uit de medische informatie die eiser in bezwaar heeft overgelegd.
Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 2 maart 2023 en 15 mei 2023 nog altijd niet toegelicht wat is bedoeld met de opmerking dat eiseres in staat is om te recupereren op de uren dat zij niet werkt en hoe dat ertoe leidt dat zij daarom in staat moet worden geacht om de belasting op mentaal gebied (werkdruk en prikkels) in de maatstafarbeid aan te kunnen. In het rapport van 2 maart 2023 is slechts opgemerkt dat eiseres bestand is tegen de fysieke stress en vermoeidheid die uit het werk van schoonmaakster voortvloeien, omdat het werk met een lage complexiteit is en eiseres “
het resterende gedeelte van de week[kan]
recupereren van de fysieke stress”. Of en waarom eiseres in staat moet worden geacht om de belasting op mentaal gebied aan te kunnen blijkt hieruit niet.
De rechtbank is daarom van oordeel dat er nog steeds sprake is van een motiveringsgebrek.
6. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,-, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 837,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 837,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.092,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.092,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Dielemans-Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.W. Geerts, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.