Werknemer trad op 1 augustus 2022 in dienst bij Werkgever met een arbeidsovereenkomst die eindigt op 30 september 2023. Werknemer vordert in kort geding achterstallig loon over februari tot juni 2023, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, wettelijke rente en een wettelijke verhoging. Werkgever erkent betalingsachterstand en financiële problemen, maar stelt dat loon deels mag worden ingehouden wegens minuren en heeft het loon vanaf 18 juli 2023 opgeschort vanwege het niet verschijnen van Werknemer bij de bedrijfsarts.
De kantonrechter oordeelt dat de loonvordering spoedeisend is en dat de financiële problemen van Werkgever geen beletsel vormen voor toewijzing van het loon, behalve voor de minuren die partijen op 11 april 2023 schriftelijk hebben vastgelegd. De vraag of deze minuren rechtsgeldig zijn, is onduidelijk en zal in een bodemprocedure worden beoordeeld. De loonopschorting vanaf 18 juli 2023 wordt afgewezen omdat Werknemer met goedgekeurd verlof was en niet verplicht was bij de bedrijfsarts te verschijnen.
De kantonrechter veroordeelt Werkgever tot betaling van € 8.441,06 bruto achterstallig loon minus 120 minuren, € 2.240,80 bruto vakantietoeslag, € 1.484,13 bruto eindejaarsuitkering, en een wettelijke verhoging van 15% vanwege de financiële situatie. Daarnaast moet Werkgever loon doorbetalen tot het einde van de arbeidsovereenkomst, loon- en urenspecificaties verstrekken, buitengerechtelijke incassokosten van € 893,21 en proceskosten van € 1.011,42 vergoeden. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.