4.4.Onderdelen a en b van het voorgestelde artikel 1:96, eerste lid, luiden hetzelfde als onderdelen a en b van artikel 1:98, eerste lid, van de Wft. Dit betekent evenwel niet dat wat in het advies wordt opgemerkt over de invulling die volgens de toelichting op het wetsvoorstel aan de belangenafweging op grond van het voorgestelde artikel 1:96, eerste lid, moet worden gegeven, moet worden geacht ook te gelden voor de invulling die volgens vaste rechtspraak aan de belangenafweging op grond van artikel 1:98, eerste lid, van de Wft moet worden gegeven. Artikel 1:98, eerste lid, van de Wft ziet immers op een verplichting tot openbaarmaking, terwijl het voorgestelde artikel 1:96, eerste lid, ziet op discretionaire bevoegdheden tot openbaarmaking.
Daarbij wijst de rechtbank op de memorie van toelichting (TK, 2015-2016, 34 455, nr. 3, blz. 11-12) bij de artikelen 1:97 en 1:98 van de Wft, waarin over de belangafweging het volgende wordt opgemerkt (onderstrepingen door de rechtbank):
“Het openbaar maken van besluiten met betrekking tot handhaving dient verschillende doelen. Allereerst is het belangrijk dat de activiteiten van de toezichthouders als overheidsorganisaties in zo groot mogelijke openheid worden verricht. Het is in dat kader in het belang van het publiek om zo ruim mogelijk kennis te kunnen nemen van het optreden van de toezichthouders en de gronden daarvoor. Ook is het openbaar maken van besluiten tot het opleggen van bestuurlijke sancties in het belang van andere instellingen die onder toezicht staan, zodat zij weten welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en meer inzicht krijgen in de invulling die de toezichthouder aan bepaalde normen geeft. Verder is openbaarmaking in het belang van personen die door de inbreuk schade hebben geleden, zodat zij eventueel hun rechten jegens de overtreder geldend kunnen maken. Tot slot heeft de openbaarmaking in beginsel een ontmoedigend effect op andere personen en ondernemingen onder toezicht om overtredingen te begaan.
Deze belangen zullen over het algemeen opwegen tegen het belang van de overtreder op wie het besluit betrekking heeft, dat zijn overtreding niet bekend wordt. Dit belang zal in het algemeen immers niet beschermenswaardig zijn.
Dit komt tot uitdrukking in de verplichting van de toezichthouder om besluiten openbaar te maken waarin hij overgaat tot handhaving naar aanleiding van overtreding. De toezichthouder zal echter wel van geval tot geval moeten afwegen of er sprake is van een van de uitzonderingssituaties.”
Waar het in het advies van de Afdeling advisering gaat om discretionaire bevoegdheden en de daarbij horende belangenafweging die voorshands in de toelichting wordt ingevuld, gaat het in de onderhavige zaak om een gebonden bevoegdheid (verplichting) en de daarbij horende belangenafweging die in de toelichting voorshands wordt ingevuld. De invulling op voorhand van een belangenafweging horende bij een discretionaire bevoegdheid doet afbreuk aan de discretie van het bestuursorgaan. Die discretie heeft het bestuursorgaan evenwel niet bij een gebonden bevoegdheid, zij het dat de toezichthouder in dit geval door de formele wetgever enige ruimte voor een belangenafweging wordt gelaten wat betreft het al dan niet anonimiseren van het openbaar te maken sanctiebesluit. Uit de in artikel 1:97, eerste lid, van de Wft (een wet in formele zin) neergelegde gebonden bevoegdheid tot openbaarmaking en de daarbij horende in de toelichting voorshands ingevulde belangenafweging (ofwel de uitleg van onderdelen a en b van artikel 1:98, eerste lid, van de Wft) vloeit naar het oordeel van de rechtbank met andere woorden een beperking van de belangenafweging voort, zoals bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (vergelijk de uitspraak van het CBb van 2 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:456, overweging 3.15). Gelet hierop ziet de rechtbank in het advies van de Afdeling advisering (en de reactie van de minister van Financiën) geen bevestiging van het standpunt van [eiser] dat een ‘bredere’ belangenafweging dient plaats te vinden, waarbij niet alleen wordt beoordeeld of sprake is van een individuele, bijzondere situatie, zoals bedoeld in de hiervoor in 4. genoemde vaste rechtspraak.
Individuele, bijzondere situatie
5. De reactie van [eiser] in zijn beroepsgronden op een tweetal opmerkingen van de AFM in het bestreden besluit in het kader van haar beoordeling of sprake is van een individuele, bijzondere situatie, wat daar verder ook van zij, kan niets afdoen aan de juistheid van de uitkomst van die beoordeling, Daarbij verwijst de rechtbank naar de tot de hare gemaakte overwegingen van de voorzieningenrechter in dit verband.
Overigens heeft [eiser] , ook nu reeds ongeveer een jaar geleden uitvoering is gegeven aan de openbaarmakingsbesluiten, de door hem als gevolg daarvan te verwachten schade op geen enkele wijze geconcretiseerd en onderbouwd.
6. [eiser] voert als beroepsgrond aan dat in het persbericht ten onrechte wordt gesteld dat [de B.V.] als stroman is opgetreden voor de Luxemburgse onderneming en dat hij ten tijde van het sluiten van de samenwerkingsovereenkomst met deze onderneming enig bestuurder en dagelijks beleidsbepaler was van [de B.V.] , aangezien ook [naam 2] destijds bij de AFM stond aangemeld als dagelijks beleidsbepaler.