In deze zaak heeft [gedaagde01] een effectenleaseovereenkomst gesloten met Dexia in 2000. Dexia verstrekte geld waarmee aandelen werden gekocht, waarbij [gedaagde01] rente betaalde en aan het einde de lening moest terugbetalen. Omdat de aandelen minder waard waren, ontstond een restschuld.
De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat Dexia onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de restschuld en daarom aansprakelijk is voor twee derde van die restschuld. Dexia wilde in deze procedure vaststellen dat zij verder niets meer hoeft te betalen, terwijl [gedaagde01] volledige terugbetaling eist.
De rechtbank oordeelt dat Dexia alle schade moet vergoeden omdat Dexia wist of had moeten weten dat de overeenkomst tot stand kwam na een vergunningplichtig advies van een tussenpersoon zonder vergunning. Dit volgt uit de Hoge Raad-uitspraak van 10 juni 2022. De schade bestaat uit de betaalde inleg en restschuld, verminderd met ontvangen dividend en belastingvoordeel.
De rechtbank stelt vast dat Dexia al een deel heeft betaald en veroordeelt Dexia tot betaling van € 4.142,58 aan [gedaagde01]. Tevens worden de proceskosten van € 50,00 aan de zijde van [gedaagde01] aan Dexia opgelegd.
Deze uitspraak bevestigt de verantwoordelijkheid van financiële instellingen om te controleren of tussenpersonen over de vereiste vergunningen beschikken bij het adviseren van klanten over complexe financiële producten.