4.1.De ABC heeft – samengevat – het volgende geadviseerd.
De ABC verwijst allereerst naar haar eerdere adviezen van 28 juni 2019 en
15 september 2020 in soortgelijke zaken. Deze adviezen moeten als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Procedureel is de ABC van mening dat niet kan worden gezegd dat er in het besluitvormingsproces als geheel aan partijen onvoldoende mogelijkheid is geboden tot inbreng van hun visie, zodat er in dat opzicht geen belangen zijn geschaad. De stelling van [naam eiseres02] dat zij op 13 en 20 december 2019 ten onrechte niet is uitgenodigd om conform artikel 4, eerste lid, van de Planschadeverordening Rotterdam haar standpunt op het planschadeverzoek te geven gaat volgens de ABC niet op. Op deze data heeft er immers enkel een uitwisseling van stukken en een bespreking van praktische zaken plaatsgevonden. Anders dan door [naam eiseres02] wordt gesuggereerd, is zij niet in haar verdedigingsrecht geschaad.
De ABC is van mening dat het bezonningsonderzoek waarvan JvO gebruik heeft gemaakt voldoende steun biedt voor het oordeel van JvO inzake (eventueel) planologisch nadeel vanwege schaduwhinder.
Gelet op de ten behoeve van het bouwplan uitgevoerde studies van Peutz over het windklimaat ziet de ABC geen planologische verslechtering ten aanzien van het aspect windhinder. Volgens Peutz leidt de komst van het Zalmhavencomplex er niet toe dat de classificatie van het huidige windklimaat verandert op de verschillende beoordeelde plekken. De ABC meent dat een redelijk handelend koper bij de vaststelling van de koopprijs van een appartement enig gewicht zal hechten aan het windklimaat, maar is verder van mening dat een marginale verandering in windklimaat, die niet van invloed is op de classificatie van dat klimaat, niet van relevante invloed zal zijn op de koopprijs. Er bestaat voor de ABC onvoldoende grond om niet het deskundig oordeel te volgen van JvO, dat zij in deze en voorgaande procedures heeft gegeven over de eventuele waardevermindering in verband met windaspecten en waarbij zij op basis van het windonderzoek van Peutz heeft geconcludeerd dat wind hier geen factor van betekenis is als het gaat om planschade.
De ABC is voorts met JvO van mening dat licht- en geluidsoverlast in algemene zin schadefactoren (kunnen) zijn. De ABC acht het niet aannemelijk dat de intensiteit van de overlast door de planologische wijziging in relevante mate zal toenemen. Enkel de objectief te verwachten ruimtelijke overlast van het nieuwe regime, die daaraan inherent is (met inachtneming van milieuvoorschriften), is hier van belang. In het centrum van Rotterdam, zo ook rondom het appartement van [naam eiseres01] , zal altijd enige mate van licht- en geluidsoverlast aanwezig zijn. Het enkele gegeven dat de planologische wijziging een hoger object mogelijk maakt, maakt volgens de ABC niet dat de mogelijke licht- en geluidsoverlast ook navenant groter zullen zijn. Hierbij is in aanmerking genomen dat voor verschillende functies die het oude bestemmingsplan mogelijk maakte gold dat een hoogte van 10 en 20 m was toegelaten, terwijl daarbij verder is betrokken dat de woning van [naam eiseres01] was en is gelegen in stedelijk gebied.
Evenzo volgt de ABC JvO in de vaststelling dat de eventuele lichthinder niet van invloed zal zijn op de waarde van het appartement van [naam eiseres01] , nu de Rotterdamse binnenstad ook vóór de peildatum ’s avonds al licht (althans: niet duister) was. Tegen deze achtergrond bestaat er naar de opvatting van de ABC onvoldoende grond om niet de deskundige bevindingen te volgen van JvO, die erop neerkomen dat op het vlak van geluid en licht in vergelijking met de voorheen geldende mogelijkheden geen sprake is van zodanig nadeel dat dit leidt tot een waardevermindering van de woning van [naam eiseres01] .
De ABC volgt [naam eiseres02] niet in haar stellingen dat het nieuwe planologisch regime heeft geleid tot een waardevermeerdering van de woning van [naam eiseres01] . Deze onvoldoende onderbouwde stellingen, zonder voor de commissie verifieerbare gegevens, zijn gestoeld op de gedachte dat een hoogstedelijke leefomgeving, inclusief hoogbouw voor de voordeur, juist wordt gewaardeerd en de koper bereid is daarvoor een hogere prijs te betalen. Deze gedachte gaat naar de mening van de ABC voorbij en doet niet af aan (het wezen van) de aspecten van het nieuwe planologische regime die JvO heeft benoemd in haar rapportages en die volgens JvO in de vergelijking met het oude regime voor de redelijk denkend en handelend aspirant-koper van het nabij gelegen onroerend goed nu juist wél leiden tot waardevermindering.
De ABC is daarnaast van mening dat de taxateur [naam08] ( [naam08] ) over afdoende expertise beschikt en ziet geen reden hem op grond van zijn specialisme op het gebied van buitengebiedtaxaties te diskwalificeren als taxateur van stedelijk vastgoed. De ABC ziet niet in waarom de gedachte van [naam eiseres02] , dat het nieuwe planologisch regime eventueel ook verbetering kan brengen leidend tot waardevermeerdering, niet ook bekend mocht worden verondersteld bij [naam08] .
Ook overigens ziet de ABC niet dat sprake is van een zodanige taxatie bij JvO dat in de besluitvorming daar geen gebruik van had mogen worden gemaakt. De waarde van de berging kan naar de bevinding van de taxateur niet worden beïnvloed door de planologische wijziging. Anders dan [naam eiseres01] ziet de ABC geen grond consequenties te verbinden aan het niet meenemen van de berging in de taxatie.
De investeringsbeslissing van [naam eiseres01] met betrekking tot haar appartement dateert van 3 augustus 2004. Op dat moment bestond er volgens de ABC nog geen concreet beleidsvoornemen aan de hand waarvan een redelijk denkend en handelend koper van dat appartement rekening moest houden met een ontwikkeling in de nabijheid als vervat in het bestemmingsplan "Gedempte Zalmhaven". Op basis van de tekst in paragraaf 2.1d van het plan “Binnenstad Rotterdam beleidskader voor verdere verdichting en beheer 1993-2000” (verder: Binnenstadsplan) komt - zoals de commissie eerder heeft uiteengezet - in de context aan de afbeelding niet de betekenis toe die [naam eiseres02] daaraan gehecht wil zien. Ten onrechte suggereert [naam eiseres02] dat uit rechtsoverweging 8.3 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 9 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2150, die gaat over de vraag of het bestemmingsplan "Gedempte Zalmhaven" en de Zalmhaventoren in strijd zijn met de Hoogbouwvisie 2011, valt af te leiden dat in het geval van [naam eiseres01] sprake is van actieve risicoaanvaarding. De ABC leidt uit de stukken af dat destijds in een publicatie van de gemeente Rotterdam een bericht van 14 mei 2008 is bekendgemaakt betreffende een ontwerpbesluit tot vrijstelling van het bestemmingsplan "Het Nieuwe Werk" ten behoeve van het "project Zalmhaven". De datum van de investeringsbeslissing ligt hier evenwel vóór 14 mei 2008. Naar het oordeel van de ABC leidt deze bekendmaking (alleen al) om die reden niet tot de conclusie dat sprake is van voorzienbaarheid.
Ten aanzien van het normaal maatschappelijk risico (nmr) concludeert de ABC dat in dit geval terecht is uitgegaan van een percentage voor het nmr van 5%. De ABC beschouwt de komst van nieuwe hoogbouw zoals het Zalmhavencomplex in een stedelijke omgeving als een normale maatschappelijke ontwikkeling. De ABC acht verder relevant dat de planologische ontwikkeling volgens JvO tot op zekere hoogte in de lijn der verwachtingen lag. De opmerking van [naam eiseres01] dat in het advies van JvO op het punt van het nmr geen aandacht is besteed aan het (tussentijdse conserverende) bestemmingsplan "Scheepvaartkwartier" treft naar de mening van de ABC geen doel. Dat bestemmingsplan werd immers juist in verband met het "project Zalmhaven" nooit onherroepelijk vastgesteld voor die gronden waar het bestemmingsplan "Gedempte Zalmhaven" betrekking op heeft (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3276). De ABC is niet gebleken van (individuele) omstandigheden die aanleiding geven tot een verlaging dan wel verhoging van het vastgestelde nmr van 5%. Zaak ROT 21/3643 [naam eiseres02]
5. Voordat de rechtbank tot een bespreking van de beroepsgronden van [naam eiseres02] overgaat, dient zij allereerst te beoordelen of de door [naam eiseres02] op 12 januari 2023 ingediende reactie op het StAB-advies, met diverse bijlagen, bij de beoordeling van de beroepsgronden kan worden meegenomen.