ECLI:NL:RBROT:2023:4091

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 mei 2023
Publicatiedatum
16 mei 2023
Zaaknummer
ROT 22/4
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende motivering neuropsychologisch onderzoek

De rechtbank Rotterdam behandelt een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser bezwaar maakt tegen een besluit van het UWV over zijn arbeidsongeschiktheid. Na een eerdere tussenuitspraak waarin een motiveringsgebrek werd vastgesteld, kreeg het UWV de kans dit te herstellen met een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

De aanvullende rapportage slaagt er volgens de rechtbank niet in het motiveringsgebrek te herstellen. De verzekeringsarts baseert zijn oordeel op het klinische beeld en acht de validiteit van de neuropsychologische onderzoeken onvoldoende vastgesteld, zonder duidelijk te maken welke validiteit vereist is. Eiser heeft onweerlegbaar gesteld dat zijn beperkingen door meerdere onderzoeken worden bevestigd, waaronder MRI en neuropsychologisch onderzoek.

De rechtbank concludeert dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met de objectieve medische gegevens en het door eiser geschetste functioneren. Het besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 Awb Pro en wordt vernietigd. Het UWV wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/4

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2023 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Akdemir),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).

Inleiding

Voor het procesverloop tot en met 7 oktober 2022 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum (ECLI:NL:RBROT:2022:8329).
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend, onder verwijzing naar een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 oktober 2022.
Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.
Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2022. Verschenen zijn: eiser, zijn ouders, eisers gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.

De tussenuitspraak van 7 oktober 2022

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. [1]
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat zij de verzekeringsarts bezwaar en beroep zonder nadere motivering niet kan volgen in de conclusie dat de neuropsychologische onderzoeken niet leiden tot medisch objectiveerbare beperkingen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel uit artikel 7:12, eerste lid, van de Awb [2] . Aan verweerder is de mogelijkheid geboden om het motiveringsgebrek te herstellen. Verweerder heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 oktober 2022 ingediend.
3. In reactie op de aanvullende rapportage voert eiser aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog steeds geen duidelijk antwoord geeft op de vraag waarom de neuropsychologische onderzoeken niet zouden leiden tot medisch objectiveerbare beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep richt zich met name op de anamnese en dus op het door eiser zelf geschetste beeld van zijn gezondheid en klachten. Eiser heeft steeds een positief beeld van zijn gezondheidssituatie geschetst, mede omdat hij moeite had met het accepteren van de situatie. Er is een verschil in de door eiser in de anamnese gegeven klachten en beperkingen en wat uit de verschillende medische onderzoeken (zoals de MRI) blijkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hiermee ten onrechte geen rekening gehouden en laat zich te veel leiden door het door eiser zelf te rooskleurig geschetste beeld van zijn gezondheidssituatie.
Eiser betoogt verder dat verweerder ten onrechte geen nadere informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector, en ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers gezondheid niet is verslechterd vanwege MS. Er zijn in de FML [3] te weinig beperkingen vastgesteld voor persoonlijk functioneren. Uit het NPO [4] (van 2018 en 2022) blijkt duidelijk dat sprake is van stoornissen in meerdere cognitieve domeinen. Bij eiser zijn stoornissen gevonden in (en hij presteert zwak op) onder meer de aandacht en concentratie, de executieve functies, het geheugen en de taal. Bovendien is zijn handelingstempo, waaronder het voortbewegen, zichtbaar vertraagd en is het spreken ook duidelijk vertraagd en beperkt.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank overweegt het volgende. Over de cognitieve klachten van eiser geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportages van 11 november 2021 en 15 september 2022 aan de uitkomsten van de neuropsychologische onderzoeken niet één op één over te nemen. Hij acht van belang dat de validiteit van de onderzoeken niet vast te stellen is zonder validiteitstesten, te meer omdat deze onderzoeken niet overeenkomen met eisers klinisch beeld.
In de aanvullende rapportage van 21 oktober 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zonder de vraag te beantwoorden welke vorm van validiteit nodig is, toegelicht dat een NPO nooit op zichzelf staand is bij het geven van belastbaarheid in arbeid en toegelicht waarom geen aanvullende beperkingen kunnen worden vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij de resultaten van het NPO afgezet tegen de kliniek. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van verweerder op zitting dat met “de kliniek” wordt bedoeld het onderzoek door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank begrijpt de aanvullende rapportage zo, dat de uitkomsten van het NPO uit 2018 (nog altijd) niet worden overgenomen omdat deze niet overeenkomen met het klinische beeld dat uit het eigen onderzoek naar voren is gekomen. Namens eiser is ter zitting betoogd dat in dit eigen onderzoek veel waarde wordt gehecht aan hetgeen eiser ten tijde van het NPO in 2018 zelf heeft aangegeven over zijn beperkingen en het functioneren in zijn oude werk. Eiser heeft in beroep en ter zitting aangegeven dat hij zijn medische situatie (met betrekking tot MS) aanvankelijk te rooskleurig heeft ingeschat ten tijde van het NPO, en dat hij moeite heeft gehad met het accepteren van zijn medische situatie. Wat daarvan ook zij, de datum in geding (25 december 2020) ligt twee jaar na het NPO van 13 december 2018, en daarnaast zijn bij het NPO (ondanks het door eiser zelf geschetste beeld bij de onderzoek) wel degelijk stoornissen gevonden die door verweerder niet zijn overgenomen. Daarnaast heeft eiser onweersproken betoogd dat de door hem overgelegde MRI, de rapportages van de neuroloog en het tweede neuropsychologisch onderzoek de conclusies van het eerste onderzoek bevestigen. Over het door eiser geschetste beeld van zijn functioneren in zijn oude werk stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiser zijn eigen arbeid als analist niet meer kan verrichten. Met de in de aanvullende rapportage van 21 oktober 2022 gegeven motivering kan de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom niet volgen in de conclusie dat de neuropsychologische onderzoeken niet leiden tot medisch objectiveerbare beperkingen. De rechtbank concludeert dan ook dat het motiveringsgebrek niet is hersteld.

Conclusie en gevolgen

5. Met de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 oktober 2022 is het gebrek nog steeds niet hersteld. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel uit artikel 7:12 van Pro de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, of (nog) een bestuurlijke lus toe te passen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen doelmatige en efficiënte manier om de zaak af te doen. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen en daarbij rekening houden met deze einduitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
7. Eiser krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Bpb [5] als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus en 1 punt voor het verschijnen op een nadere zitting na een tussenuitspraak). De waarde van 1 punt is € 837,- en de wegingsfactor is 1. Toegekend wordt € 2.929,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze einduitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.929,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Dielemans-Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2023.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
2.Algemene wet bestuursrecht
3.Functionele mogelijkhedenlijst
4.Neuropsychologisch onderzoek
5.Besluit proceskosten bestuursrecht