Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- het tussenvonnis van 18 september 2019 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- het deskundigenbericht van 15 april 2021;
- de conclusie na deskundigenbericht van Biomet in de Cluster 1 zaken;
- de conclusie na deskundigenbericht van Biomet in de Cluster 2 zaken;
- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van eisers in de Cluster 1 zaken;
- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van eisers in de Cluster 2 zaken;
- de mondelinge behandeling van 7 juli 2022 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitaantekeningen van Biomet en van eisers;
- de akte uitlaten van eisers in de Cluster 1 zaken;
- de akte na comparitie tevens houdende voorwaardelijke vermeerdering/wijziging grondslag van eis van eisers in de Cluster 2 zaken;
- de antwoordakte na mondelinge behandeling van Biomet in de Cluster 1 zaken;
- de antwoordakte na mondelinge behandeling tevens verzet wijziging van eis van Biomet in de Cluster 2 zaken.
2..Inleiding - korte samenvatting
3..Juridisch kader
- de presentatie van het product (gewekte verwachtingen, al dan niet gegeven waarschuwingen);
- het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product (normaal of onjuist/onvoorzichtig gebruik);
- het tijdstip waarop het product in het verkeer werd gebracht (welke veiligheidsnormen bestonden op dat moment).
- het nut van het product in de zin van de bestemming, de kenmerken en de objectieve eigenschappen van het betrokken product en het specifieke karakter van de groep van gebruikers voor wie dit product is bestemd (HvJEU in het arrest Boston Scientific (ECLI:EU:C:2015:148));
- de kans op schadelijke bijwerkingen van het product en de aard en ernst van die bijwerkingen;
- het bestaan van ongevaarlijke of minder gevaarlijke alternatieven voor het product;
- de kenbaarheid van het gevaar en de mate waarin de gebruiker over de risico’s wordt geïnformeerd en daarvoor wordt gewaarschuwd.
4..Procesverloop en relevante uitgangspunten tot nu toe
Tussenvonnis I
lege artiswas geplaatst, bij normaal gebruik zou leiden tot afgifte van zoveel metaaldeeltjes dat daardoor bij een gemiddelde patiënt te vaak pijn en letsel zouden ontstaan.
Immers, voor zover bij het in het verkeer brengen van een product gelet op de stand van de wetenschap wel bekendheid met bepaalde risico’s bestond, bestaat de mogelijkheid dat op het toetsingsmoment die risico’s – terecht – aanvaardbaar werden geacht wegens het ontbreken van kenbaar betere alternatieven, hetgeen tot de conclusie zou kunnen leiden, alle omstandigheden in aanmerking genomen, dat het product niet gebrekkig is in de zin van artikel 6:186 BW Pro. De rechtbank zal met dat aspect in de te stellen vragen rekening houden.”
- a) de betekenis voor de onderhavige zaken van het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021, en
- b) een toelichting op het begrip gebrek/gebrekkigheid van het product in zijn algemeenheid, dus betrekking hebbend op alle zaken.
5..De verdere beoordeling
Het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021 - product
lageren
taper), chirurgische aspecten (malpositie van prothesedelen) en patiëntgebonden factoren (allergische constitutie) en dat de tumoren konden variëren in ernst voor wat betreft de door de patiënten ondervonden klachten, maar ook voor wat betreft het effect op weefsel en bot.
favourable” werden aangemerkt en dat sprake was van een “
favourable benefit to risk ratio”. Volgens de deskundigen werden in de periode 2004-2009 onder meer de volgende voordelen genoemd van MoM-heupprothesen: “
These protheses had one or more advantages: wear-resistant bearing allowing for a higher level of activity, larger head diameter resulting in less dislocation risk, and a more anatomical, bone-sparing surgical technique for the resurfacing prosthesis.”
recallvan de DePuy ASR.
state of the art’ waren, en dat eventuele bekende nadelen van het gebruik ervan voor lief werden genomen. Dat de onderscheiden producten die samen de prothese vormen destijds gebrekkig waren in de zin van de genoemde regelgeving is met het deskundigenbericht niet komen vast te staan.
6..De beslissing
heupcentrum, fysiologische belasting, hoger postoperatief activiteitenniveau, uitstekende overleving, en een gemakkelijke revisie. Deze voordelen appelleerden sterk aan de verbeelding van chirurgen en patiënten. De resurfacing prothesen kregen als bijnaam “sportheup”, werden populair en maakten 10% van alle
a) wat was in januari 2004 de stand van de wetenschap op het gebied van de kennis van het vrijkomen van (chroom- en) kobaltdeeltjes (en/of ionen) ten gevolge van wrijving en/of slijtage ten gevolge van het gebruik in MoM heupprothesen? Gaarne toelichten ten aanzien van hoeveelheid, omvang van de deeltjes etc.
a) wat was in januari 2004 de stand van de wetenschap op het gebied van de kennis van het gedrag van vrijgekomen kobaltdeeltjes (en/of ionen) als bedoeld in vraag 3 in het lichaam? Gaarne zo gedetailleerd mogelijk toelichten ten aanzien van verplaatsing van deeltjes, opname in de bloedbaan, neerslag in de weefsels etc.
et al., 2000). Ook Kasai en medewerkers meldt dat er Ti kan vrijkomen en ophopen in serum en haar bij patiënten met een Ti-Al rugprothese (Kasai
et al., 2003)
et al., 2011).
et al., 2004).
et al., 2006). Naar aanleiding van de zorgen over carcinogeniteit van kobalt en chroom bestudeerden ook Witzleb et al. de gehaltes in serum tot twee jaar na het plaatsen van de heupprotheses. Twee jaar na de plaatsing van de prothese waren de serum concentraties van chroom en kobalt nog steeds significant verhoogd in het serum (Witzleb
et al., 2006)
et al., 2008). De oorzaak hiervoor is m.i. niet duidelijk.
et al., 2003). Deze resultaten kunnen wel vergeleken worden met een latere studie van Lavigne et al, die echter wel buiten de gevraagde evaluatieperiodes valt (Lavigne, et al., 2011). Deze studie vond in een tweejarige periode een toename in serum kobalt gehaltes van ca. 8 tot 30x voor vier verschillende heupprotheses met een 50 mm kop. Eén van deze protheses was van Biomet en hiervoor was de toename in bloed het minst, ca. 8x. Vergelijking van beide studies geeft wel aan dat het verschil voor kobalt in toename van postoperatieve achtergrondconcentraties tussen 28 en 50 mm prothese koppen als vergelijkbaar beschouwd kunnen worden (Brodner, et al., 2003; Lavigne, et al., 2011)
et al., 1990). Ofschoon bij rattenstudies na injectie van kobalt lokaal bepaalde tumoren gevormd worden, wordt deze manier van blootstelling voor de mens m.i. terecht als niet relevant gezien. Wel wordt in deze periode ook beperkt onderzoek gedaan naar de mogelijkheid tot longkanker bij beroepsmatige blootstelling via de ademhaling, maar hiervoor is geen toename in incidentie zien. De algemene conclusie van deze auteurs is dat kobalt(ionen) geen sterk kankerverwekkende stof is/zijn, maar de wetenschappelijke kennis hierover op dat moment nog beperkt is (Leonard, et al., 1990). Daarnaast dient opgemerkt te worden dat ten tijde van deze studie weinig of nauwelijks of geen specifiek interesse is naar kobalt blootstelling via MoM heupprotheses.
et al., 1996).
et al., 1996).
.Deze literatuurstudies hebben plaatsgevonden i.v.m. de gezondheidsrisico’s van chroom 6+ blootstelling bij Nederlandse militairen (Hessel
et al., 2020).
et al., 1992). Wel dient opgemerkt te worden dat deze schade aan het genetische materiaal niet éénduidig in alle in vitro testen kon worden geconstateerd. Deze schade aan het DNA door kobalt kan in theorie tot mutageniteit leiden en eveneens de initiatie van tumorvorming zijn. De auteurs constateren verder dat het herstelproces van DNA-schade in de cel door kobalt negatief beïnvloed kan worden door vermindering van cellulaire reparatieprocessen. Zelfs indien kobalt zelf geen direct kankerverwekkende eigenschappen in de humane cel heeft, dan kan de combinatie met andere kankerverwekkende stoffen zoals bijv. chroom 6+ tot een versterking van de tumor vorming leiden (Beyersmann, et al., 1992)
et al., 2001). Uit dit artikel blijkt duidelijk een voortschrijdend inzicht in de (indirecte) kankerverwekkende eigenschappen van kobalt. De auteurs concluderen dat directe DNA-schade veroorzaakt kan worden door de (harde) metaaldeeltjes van kobalt, terwijl de (oplosbare) kobaltionen het eerdergenoemde DNA-reparatie mechanisme kunnen verstoren. Geconstateerd wordt verder dat met name voor kobaltoxides er te weinig informatie beschikbaar is om de risico’s van MoM protheses adequaat te kunnen inschatten (Lison, et al., 2001).
et al., 2002; Kawanishi
et al., 2002)
et al., 2000)
et al., 2008).
et al., 2008) Wanneer met de huidige toxicologische kennis gekeken wordt naar het betreffende figuur met werkingsmechanismes van kobalt en chroom, moet er geconcludeerd worden dat in de periode 2004-2009 deze wetenschappelijke kennis reeds vergevorderd was.
eerste waarschuwingaan de leden van de Nederlandse Orthopaedische Vereniging dateert van medio 2011 op de website van de vereniging, later bekrachtigd middels een brief van de voorzitter (zie bijlagen). Het advies was om terughoudend te zijn met het plaatsen van MoM heupprothesen, en bij onvoldoende kennis over de resultaten vanuit nationale implantatenregisters deze prothesen alleen te plaatsen binnen het kader van wetenschappelijk onderzoek. Bovendien was het advies om patiënten bij wie in het verleden een MoM heupprothese was geplaatst op de hoogte te stellen en op te roepen voor een jaarlijkse gerichte controle met lichamelijke onderzoek, röntgendiagnostiek en/of andere onderzoeken zoals echo, CT of MRI, en laboratoriumonderzoek naar kobalt en chroom concentraties in het bloed. Op 15-01-2012 verscheen een
aangescherpt adviesdat erop neerkwam om de toepassing van alle MoM prothesen met grote koppen (>36 mm) incl. resurfacing prothesen op te schorten. Het gebruik is daarna snel afgenomen zoals uit onderstaande grafiek uit de jaarrapportage 2018 van de Landelijke Registratie Orthopedische Implantaten blijkt:
a) wat was in de periode januari 2004-december 2009 bekend over het ontstaan van pseudotumoren? Wat is daarover nu bekend? Kunnen pseudotumoren ook ontstaan bij gebruik van heupprothesen van andere materialen dan MoM?