Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
De Nederlandsche Bank N.V., DNB
Inleiding
- namens eiseres, [persoon 1] en [persoon 2] ;
- namens DNB, haar gemachtigden samen met haar juristen mr. drs. D. Russchen en mr. P.M.T. Hermens.
Beoordeling door de rechtbank
€ 188.400.000,00 was verhoogd en dat dit verhoogde kader dus bij de berekening van de heffingskosten leidend zou zijn. Dat daarbij ook kosten rond de Brexit en de implementatie van PSD2 waren begroot, was toen ook al bekend. Daarnaast heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat ervan de zijde van DNB toezeggingen zijn gedaan of andere uitlating zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de toezichtkosten zouden dalen. Uitlatingen van een minister (voor zover die DNB al kunnen worden toegerekend) en van DNB in de Tweede Kamer zijn daarvoor niet genoeg. Deze uitlatingen zijn niet aan eiseres gericht en uitlatingen aan derden zijn niet als toezeggingen aan te merken. Ook zijn de uitlatingen in kwestie binnen het politieke domein gedaan. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694 en van het CBb van 20 december 2022, ECLI:NL:CBB:2022:821.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
of2:10a van de Wet op het financieel toezicht: