Eiser kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto zonder betaling stond geparkeerd op de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam. Eiser voerde aan dat hij een vriend had afgezet om een bestelling van ongeveer drie kilogram op te halen, en dat het stilstaan van de auto minder dan twee minuten duurde. Volgens eiser was er sprake van onmiddellijk laden en/of lossen, waardoor geen parkeerbelasting verschuldigd zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat daadwerkelijk werd geladen of gelost. Foto's uit het HAS-rapport toonden geen laad- of losactiviteiten en de portieren van de auto waren gesloten. Ook was niet concreet gemaakt wat er werd opgehaald, en het gewicht en de omvang van de bestelling waren onvoldoende om te concluderen dat vervoer per auto noodzakelijk was.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep met ruim vijf maanden was overschreden. Gelet op het geringe financiële belang en de aard van de zaak kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 50 per half jaar overschrijding. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 418,50, vermeerderd met wettelijke rente.