ECLI:NL:RBROT:2023:7351
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde hoekwoning en proceskostenveroordeling verweerder
Eiser betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een hoekwoning uit 1988, gelegen aan een adres te Rotterdam, en stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld op €269.000,-. Verweerder onderbouwde de waarde met een waardematrix gebaseerd op vergelijkingsobjecten uit dezelfde buurt en bouwperiode. Eiser voerde aan dat slechts één vergelijkingsobject de waarde ondersteunde en dat andere objecten onjuist waren meegenomen.
De rechtbank oordeelde dat de vergelijkingsobjecten van verweerder passend en bruikbaar waren en dat het door eiser overgelegde taxatierapport onvoldoende twijfel opriep over de vastgestelde waarde. Daarnaast mocht verweerder in beroep nieuwe vergelijkingsobjecten aandragen, wat niet in strijd was met de goede procesorde. Wel werd verweerder veroordeeld in de proceskosten omdat eiser pas in beroep de juiste verkoopgegevens kon vernemen.
Verder constateerde de rechtbank een overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase van vier maanden, waarvoor verweerder aansprakelijk was. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van €50,- en het griffierecht. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de vastgestelde WOZ-waarde bleef staan.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en immateriële schade.