ECLI:NL:RBROT:2023:8856

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 september 2023
Publicatiedatum
22 september 2023
Zaaknummer
ROT 23/4235 en ROT 23/4236
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:17 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:6 WhtArt. 2.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bepaalt één dwangsom bij samenhangende toeslagbeschikkingen en stelt beslistermijn vast

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen twee beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen uit september 2022 en beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op deze bezwaren. De rechtbank beoordeelt of voor deze samenhangende zaken één of meerdere dwangsommen verschuldigd zijn.

De rechtbank volgt de jurisprudentie dat bij inhoudelijk samenhangende beschikkingen over dezelfde herstelregeling slechts één dwangsom verschuldigd is, ook als de beschikkingen betrekking hebben op verschillende toeslagjaren. Dit geldt hier omdat beide beschikkingen zijn gebaseerd op dezelfde bepaling van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

De rechtbank stelt vast dat de Belastingdienst de beslistermijn op de bezwaren heeft overschreden en legt een nieuwe termijn van zes weken op waarbinnen een besluit moet worden genomen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd. Daarnaast moet de Belastingdienst het betaalde griffierecht en proceskosten vergoeden aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt dat de Belastingdienst slechts één dwangsom verbeurt en legt een beslistermijn van zes weken op voor het nemen van besluiten op bezwaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/4235 en ROT 23/4236
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2023 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaken tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.F. Cheung,
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bij verweerder bezwaarschriften ingediend tegen de beschikkingen van 27 september 2022 met kenmerken [kenmerk 1] en [kenmerk 2] .
Eiseres heeft beroepen ingesteld wegens het uitblijven van besluiten op bezwaar. De beroepen zijn als volgt aan de beschikkingen gerelateerd: [kenmerk 1] (ROT 23/4236), [kenmerk 2] (ROT 23/4235).
Verweerder heeft op 4 juli 2023 in de zaak ROT 23/4235 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaken een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op de bezwaren is overschreden. Eiseres heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst van de ingebrekestelling door verweerder zijn meer dan twee weken verstreken. Niet gebleken is dat verweerder alsnog heeft beslist op de bezwaren. De beroepen zijn daarom gegrond.

Samenhangende zaken

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in deze zaken slechts eenmaal een dwangsom verschuldigd is. De rechtbank stelt voorop dat in beginsel per niet tijdig genomen besluit een dwangsom verschuldigd is, maar dat die hoofdregel niet geldt als besluiten inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke toepassing van de artikelen 4:17, eerste lid, en 8:55d, tweede lid, van de Awb met zich brengt dat verweerder slechts één dwangsom heeft verbeurd of kan verbeuren (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1746).
4. Naar het oordeel van de rechtbank hangen beschikkingen over dezelfde aanvrager die zijn gegeven op grond van dezelfde bepaling van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) zodanig inhoudelijk samen, dat verweerder slechts één dwangsom verbeurt als hij niet tijdig beslist op de bezwaren tegen die beschikkingen. Bij die beschikkingen is immers sprake van dezelfde herstelregeling, hetzelfde toetsingskader en (grotendeels) hetzelfde feitencomplex. Als dergelijke beschikkingen betrekking hebben op verschillende toeslagjaren, is dat op zichzelf onvoldoende om de inhoudelijke samenhang te doorbreken. Dat verweerder afzonderlijke dwangsombeschikkingen heeft afgegeven op grond van afdeling 4.1.3 van de Awb, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de rechtbank de inhoudelijke samenhang zelf beoordeelt.
5. Artikel 8.6 van de Wht bepaalt dat beschikkingen die zijn gegeven op grond van eerdere herstelregelingen worden aangemerkt als gegeven krachtens de betreffende herstelregeling in de Wht. De compensatieregeling is vastgelegd in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Een beschikking op grond van de compensatieregeling opgenomen in artikel 49b (oud) van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) wordt daarom aangemerkt als gegeven krachtens artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hardheidsregeling opgenomen in de artikelen 49 en 49bis (oud) van de Awir is komen te vervallen, omdat de compensatieregeling is verbreed naar gedupeerden van hardheid (Kamerstukken
II2021/22, 36151, nr. 3, p. 9). Een beschikking op grond van de hardheidsregeling wordt daarom ook aangemerkt als gegeven krachtens artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Hoewel beschikkingen over de compensatieregeling of de hardheidsregeling op grond van de Awir (oud) zijn vastgelegd in afzonderlijke geschriften, is toch sprake van samenhangende besluiten, omdat met de invoering van de Wht deze beschikkingen worden aangemerkt als gegeven krachtens dezelfde bepaling, namelijk artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
6. De beschikkingen met kenmerk [kenmerk 2] en [kenmerk 1] betreffen de compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Anders dan eiseres heeft gesteld, is in deze zaken geen sprake van een beschikking over de tegemoetkoming opzet/grove schuld als bedoeld in artikel 49c van de Awir (oud) of artikel 2.6, eerste lid, van de Wht.
7. Uit het voorgaande volgt dat in deze zaken verweerder slechts éénmaal een dwangsom verbeurt, omdat de beschikkingen in die zaken zijn gegeven op grond van dezelfde bepaling van de Wht.

Bestuurlijke dwangsom

8. Eiseres heeft verzocht de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom vast te stellen. Verweerder heeft in deze zaken dwangsombeslissingen genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.

Beslistermijn

9. Vanwege de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3209). Verweerder moet in beginsel binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift een beslissing op de bezwaren bekendmaken. De beslistermijn is ten minste zes weken na de datum van deze uitspraak. Omdat sinds de datum van het verweerschrift meer dan zes weken zijn verstreken, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de bezwaren moet bekendmaken. Er bestaat geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen.

Hoogte dwangsom

10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op van € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.

Griffierecht en proceskosten

11. In de zaak ROT 23/4236 heeft de griffier geen griffierecht geheven. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet verweerder het (overige) door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. De rechtbank beschouwt deze zaken als één zaak op grond van artikel 3 van Pro het Bpb, omdat in iedere zaak door dezelfde gemachtigde een nagenoeg identiek beroepschrift is ingediend.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de bezwaren van eiseres tegen het besluit met kenmerk [kenmerk 1] en het besluit met kenmerk [kenmerk 2] ;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
  • bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. de Vries, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 26 september 2023.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.