ECLI:NL:RBROT:2023:8892

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 september 2023
Publicatiedatum
22 september 2023
Zaaknummer
AWB-23_1940
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 lid 8 ParticipatiewetArt. 475b Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 475c Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 475d Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 475e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering AIO-aanvulling wegens geen rechtmatig verblijf in Nederland

Eiseres ontving vanaf november 2019 een AIO-aanvulling. Verweerder trok deze vanaf 8 oktober 2020 in en vorderde terugbetaling over de periode oktober 2020 tot augustus 2022 wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland. Na bezwaar wijzigde verweerder het intrekkingstijdstip naar 1 maart 2022 en matigde daarmee de terugvordering.

Eiseres voerde aan niet te weten dat haar verblijfstitel invloed had op de AIO, mede door haar hoge leeftijd, medische klachten en beperkte taalvaardigheid. Zij beriep zich op het vertrouwensbeginsel en stelde dat verweerder verwijtbaar had gehandeld door eerdere signalen niet te verwerken.

De rechtbank oordeelde dat eiseres redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij geen recht had op AIO sinds 19 maart 2021, en dat haar persoonlijke omstandigheden haar eigen verantwoordelijkheid zijn. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat verweerder de intrekking heeft gematigd vanwege eigen verwijtbaarheid.

Dringende redenen om af te zien van terugvordering werden niet vastgesteld, aangezien de persoonlijke omstandigheden van eiseres onvoldoende waren en zij beschermd wordt door beslagvrije voetregels. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de intrekking en terugvordering van de AIO-aanvulling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/1940

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2023 in de zaak tussen

[naam] , uit Ridderkerk, eiseres

(gemachtigde: mr. E. Kafa),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).

Inleiding

1. Met een besluit van 22 augustus 2022 (primair besluit 1) heeft verweerder het recht van eiseres op een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO-aanvulling) vanaf 8 oktober 2020 ingetrokken.
1.2.
Met een besluit van eveneens 22 augustus 2022 (primair besluit 2) heeft verweerder € 11.888,58 aan AIO-aanvulling over de periode oktober 2020 tot en met augustus 2022 van eiseres teruggevorderd.
1.3.
Met een besluit van 8 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en eiseres proceskosten toegekend. Verweerder heeft daarbij het recht van eiseres op een AIO-aanvulling vanaf 1 maart 2022 (in plaats vanaf
8 oktober 2020) ingetrokken. Daarnaast heeft verweerder € 3.060,58 (in plaats van
€ 11.888,58) aan AIO-aanvulling over de periode 1 maart 2022 tot en met 31 augustus 2022 van eiseres teruggevorderd.
1.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens verweerder mr. G.E. Eind deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres ontving vanaf 22 november 2019 een AIO-aanvulling.
2.1.
Op 22 maart 2021 heeft verweerder een melding vanuit de Basisregistratie Personen (BRP) ontvangen dat eiseres vanaf 19 maart 2021 niet meer rechtmatig in Nederland verblijft. Op 23 maart 2021 ontvangt verweerder een brief van 19 maart 2021 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) waarin staat dat eiseres vanaf 19 maart 2021 niet rechtmatig in Nederland verblijft.
2.2.
Bij brief van 26 juli 2022 heeft de IND verweerder bericht dat eiseres vanaf
8 oktober 2020 geen verblijfsvergunning meer heeft voor VVR EU. Naar aanleiding van deze brief heeft verweerder de primaire besluiten 1 en 2 genomen. Eiseres heeft tegen de primaire besluiten 1 en 2 bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten 1 en 2 alsnog gegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres vanaf 19 maart 2021 niet meer rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder heeft daarom de AIO-aanvulling van eiseres vanaf 19 maart 2021 ingetrokken. Verweerder heeft aanleiding gezien de mate van de terugwerkende kracht van de intrekking te matigen, nu er volgens verweerder sprake is van een bijzondere omstandigheid. Verweerder verwijt zichzelf dat hij niets heeft gedaan met de brief van de IND van 19 maart 2021 en de BRP-melding van 22 maart 2021. Verweerder heeft daarom de AIO-aanvulling van eiseres ingetrokken vanaf 1 maart 2022.
3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij niet kon weten dat de verblijfstitel invloed had op haar AIO-aanvulling. Door haar hoge leeftijd en medische klachten houdt eiseres zich niet bezig met haar administratie en andere soortgelijke zaken. Daarnaast beheerst ze de Nederlandse taal onvoldoende. Eiseres stelt het onredelijk te vinden dat ze melding moet doen van iets waarvan verweerder al op de hoogte was. Verweerder heeft niets gedaan met de eerdere meldingen van de BRP en de IND over de situatie van eiseres. Eiseres doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens eiseres heeft verweerder verwijtbaar gehandeld. Verder is er sprake van dringende redenen. Eiseres heeft niet de financiële middelen om de terugvordering te betalen en de terugvordering zal eiseres in (financiële) problemen brengen.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiseres redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij geen recht meer had op een AIO-aanvulling omdat zij vanaf 19 maart 20121 niet meer rechtmatig in Nederland verbleef. De rechtbank acht hierbij van belang dat in de toekenningsbeslissing van 17 december 2019 is aangegeven dat het hebben van een verblijfsvergunning en de berichten van de IND van belang zijn voor het recht op AIO-aanvulling. De gevolgen van de omstandigheden dat eiseres de administratie niet bijhoudt en de Nederlandse taal niet goed machtig is, komen voor haar rekening en risico. Aan het ontvangen van een AIO-aanvulling zijn verplichtingen verbonden waarvan de naleving de verantwoordelijkheid van eiseres is. Als zij daarin niet zelfstandig slaagt, zal zij om hulp moeten vragen. Dat ook dat niet mogelijk was, heeft eiseres niet gesteld.
5. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Omdat zij haar administratie niet bijhield, wist zij niet dat haar verblijfsrecht was geëindigd. Ook wist zij niet dat verweerder van het beëindigen van dat verblijfsrecht melding had gekregen en niet meteen tot intrekking van de AIO-aanvulling is overgegaan. Gelet daarop is er geen vertrouwen gewekt bij eiseres. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit al rekening gehouden met zijn verwijtbare handelen bestaande uit het niet onmiddellijk intrekken van de AIO-aanvulling na ontvangst van signalen uit de BRP en van de IND. De intrekking is om die reden immers ‘gematigd’ door die in te laten gaan per 1 maart 2022. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarmee niet te kort is gedaan.
6.1.
Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet kan als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:545) doen dringende redenen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht zulke dringende redenen niet aanwezig heeft geacht. Dat eiseres op hoge leeftijd is, medische klachten heeft en de Nederlandse taal niet goed machtig is, is hiertoe onvoldoende. De door eiseres aangevoerde persoonlijke financiële omstandigheden vormen eveneens geen dringende redenen op grond waarvan verweerder had moeten afzien van terugvordering. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiseres bij de invordering wordt beschermd, of zo nodig deze bescherming kan inroepen, door de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (zie de uitspraak van de Raad van 25 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4088).
7. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2023.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.