De rechtbank Rotterdam behandelde de beroepen van eiseres tegen twee bestuurlijke boetes van elk € 2.500,- opgelegd door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wegens overtredingen van de Wet dieren. De eerste boete betrof het aantreffen van fecale bezoedeling op vijftien schapenkarkassen na afronding van het slachtproces, terwijl de tweede boete betrekking had op het contact tussen karkassen vóór de voltooiing van de postmortemkeuring.
De rechtbank oordeelde dat de minister de overtredingen deugdelijk had vastgesteld aan de hand van rapporten van toezichthouders van de NVWA, die deskundig waren en geen aanleiding gaven tot twijfel. De overtredingen konden eiseres worden toegerekend, omdat zij als exploitant verantwoordelijk is voor de naleving van de hygiënevoorschriften, ook al waren sommige handelingen van KDS-medewerkers buiten haar gezagsverhouding.
Verder stelde de rechtbank vast dat de minister terecht niet eerst een waarschuwing hoefde te geven, omdat eiseres eerder schriftelijke waarschuwingen had ontvangen voor soortgelijke overtredingen. De hoogte van de boetes werd als evenredig beoordeeld gezien de aard en ernst van de overtredingen. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de boetebesluiten bleven in stand.