Uitspraak
[eiseres 2], uit [plaatsnaam 2], eiseressen
(gemachtigde: mr. J.J.H. Hulshof).
Op grond van artikel 2.1.4, eerste lid, van de Verordening mag een bestemmingsplan uitsluitend in nieuwe detailhandel voorzien op gronden binnen of direct aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken, binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk of binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie.
Het perceel valt volgens het college niet onder een van de categorieën waar op grond van artikel 2.1.4, eerste lid, van de Verordening nieuwe detailhandel kan worden toegestaan. Artikel 4.1 van de planregels moet daarom, voor zover dat detailhandel toestaat, volgens het college onverbindend worden geacht. Het college heeft daarnaast beoordeeld of het provinciale beleid inzake detailhandel sinds 2015 zodanig is gewijzigd dat een supermarkt op deze locatie nu wel passend zou zijn. Dat is niet het geval: artikel 6.13 van de huidige Omgevingsverordening Zuid-Holland (de Omgevingsverordening) bevat een gelijksoortige bepaling over detailhandel. Verder is een afwijking van het bestemmingsplan volgens het college in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Wettelijk kader
Uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Op grond van het tweede lid wordt de aanvraag in zo’n geval mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat door het college in het bestreden besluit is overgenomen, blijkt dat strijd met artikel 12.2.2 van de planregels als reden voor de weigering van de omgevingsvergunning is verlaten. De dragende reden voor de weigering is inmiddels dat artikel 4.1 van de planregels, voor zover die bepaling nieuwe detailhandel mogelijk maakt op het perceel, evident in strijd is met artikel 2.1.4 van de Verordening en daarom in zoverre onverbindend is. De weigering van de omgevingsvergunning berust daarmee weliswaar nog steeds op strijd met het bestemmingsplan en de ruimtelijke onwenselijkheid van een afwijking, maar de argumentatie die daaraan in bezwaar ten grondslag is gelegd is geheel anders dan in het primaire besluit. Naar het oordeel van de rechtbank mag de motivering voor de weigering in bezwaar op zichzelf worden gewijzigd, maar had het college eiseressen in de bezwaarprocedure in de gelegenheid moeten stellen om op dit gewijzigde standpunt te reageren. Door dat niet te doen, heeft het college in strijd met de vereiste zorgvuldigheid gehandeld. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank is echter van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Daarbij is van belang dat eiseressen in beroep alsnog voldoende in de gelegenheid zijn geweest om op het standpunt van het college te reageren. Ook is niet aannemelijk dat een reactiemogelijkheid voor eiseressen in bezwaar tot een ander besluit van het college zou hebben geleid, aangezien het college het evident acht dat artikel 4.1 van de planregels in strijd is met de Verordening. Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat eiseressen niet door de schending van artikel 3:2 van Pro de Awb zijn benadeeld.
De beroepsgrond slaagt niet.
Voor zover het college wel bevoegd was om de planregel ambtshalve exceptief te toetsen, is de toepassing van die bevoegdheid volgens eiseressen in strijd met de rechtszekerheid. Eiseressen betogen dat het college bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning een planregel alleen onverbindend mag verklaren als dat leidt tot vergunningverlening en dus tot een begunstigend besluit voor de aanvrager. In dit geval heeft het college de exceptieve toets gebruikt als grondslag voor een belastend besluit, namelijk weigering van de vergunning.
Het college stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit ambtshalve aan deze bepaling kon worden getoetst. Het door eiseressen genoemde deel van de conclusie van AG Widdershoven gaat over exceptieve toetsing door de bestuursrechter en niet over de bestuurlijke heroverweging in bezwaar. Artikel 7:11 van Pro de Awb staat volgens het college niet in de weg aan handhaving van het primaire besluit op een deels andere grondslag. De strekking van het primaire besluit, namelijk weigering van de vergunning, is in het bestreden besluit niet gewijzigd. De aanvulling van de motivering is volgens het college ook niet in strijd met de rechtszekerheid. Het college heeft de planregel beoordeeld aan de hand van de Verordening zoals die op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan gold. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016 leidt het college af dat bij de toetsing van een omgevingsvergunning aan het geldende bestemmingsplan gekeken moet worden naar de geldigheid van een bestemmingsplan tegen de achtergrond van provinciale regels. Als de bestemmingsregeling evident in strijd is met de Verordening, moet de bestemmingsregeling onverbindend worden geacht of buiten toepassing worden gelaten. In dit geval is nieuwe detailhandel op het perceel volgens het college evident in strijd met artikel 2.1.4, eerste lid, van de Verordening, omdat de locatie niet voldoet aan de criteria uit die bepaling.
Er is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat een bestuursorgaan in een primair besluit of een beslissing op bezwaar ambtshalve beoordeelt of een algemeen verbindend voorschrift wegens strijd met een hogere regeling onverbindend moet worden geacht of buiten toepassing moet worden gelaten. Dat een bestuursorgaan alleen naar aanleiding van een bezwaar van een derde (met een daarop gerichte bezwaargrond) tegen de verlening van een omgevingsvergunning exceptief zou mogen toetsen, zoals eiseressen betogen, volgt niet uit de rechtspraak van de Afdeling. Bovendien is volledige heroverweging in bezwaar het uitgangspunt (zie artikel 7:11 van Pro de Awb). De rechtbank wijst daarnaast op de conclusie van AG Widdershoven van 22 december 2017, onder 5.6 en 5.7, waarin over exceptieve toetsing door een bestuursorgaan onder meer het volgende is vermeld: “De toespitsing op bezwaar betreft mijns inziens geen principiële beperking, maar hangt samen met de casus, waarin nu eenmaal aan de orde was of de staatssecretaris in bezwaar de klacht over de onverbindendheid van de regelingen terecht niet-ontvankelijk had verklaard. Ik kan althans geen reden verzinnen waarom een bestuursorgaan in bezwaar wel bevoegd zou zijn om de verbindendheid van een algemeen verbindend voorschrift te toetsen en in primo niet.” Ook hierin ziet de rechtbank geen steun voor het standpunt van eiseressen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 2.1.4 van de Verordening is een instructieregel op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan in acht moet nemen. Dat artikel 2.1.4 een instructieregel voor de raad is, betekent op zichzelf niet dat die bepaling niet concreet genoeg is om zich te lenen voor exceptieve toetsing.
In artikel 2.1.4, eerste lid, worden drie categorieën van locaties genoemd waar een bestemmingsplan nieuwe detailhandel mogelijk kan maken. Nu uitsluitend op die locaties in nieuwe detailhandel mag worden voorzien, mag voor het overige in een bestemmingsplan geen nieuwe detailhandel worden toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat zowel de beschrijving van de categorieën van locaties als het verbod om op andere locaties nieuwe detailhandel mogelijk te maken zodanig concreet zijn dat daaraan exceptief kan worden getoetst. De toepassing van deze bepaling vereist geen nadere afweging of beoordeling.
Het derde lid van artikel 2.1.4 bevat een aantal uitzonderingen. Hierin worden soorten nieuwe detailhandel genoemd waarop het eerste lid niet van toepassing is. Die soorten nieuwe detailhandel mogen dus ook op andere locaties, buiten de centra, mogelijk worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook de uitzonderingen in artikel 2.1.4, derde lid, van de Verordening, voor zover hier relevant, voldoende concreet voor exceptieve toetsing.
De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat artikel 2.1.4 van de Verordening zich niet leent voor exceptieve toetsing. De beroepsgrond slaagt niet.
Volgens eiseressen valt het perceel onder een van de categorieën uit het eerste lid. In de eerste plaats betogen zij dat het perceel op slechts 275 meter van de bestaande winkelconcentratie Hof van Portland in het centrum van de wijk Portland ligt en daarmee direct aansluit op die winkelconcentratie. Voor zover dat niet het geval is, levert de nieuwe detailhandel volgens eiseressen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie op in de nieuwe woonwijk Portland. Verder stellen eiseressen dat de raad mogelijk heeft beoogd om vrijgekomen detailhandelsmeters hier toe te staan op een goed bereikbare en centraal gelegen locatie in het kader van herallocatie.
Daarnaast stellen eiseressen dat het niet uitgesloten is dat de detailhandel voldoet aan de eisen uit artikel 2.1.4, tweede lid, van de Verordening. Er is volgens hen geen strijd met het ontwikkelingsperspectief voor Portland zoals beschreven in het Programma Ruimte en de supermarkt heeft niet meer dan 2.000 m2 bruto vloeroppervlak.
Verder betogen eiseressen dat een van de uitzonderingen uit het derde lid van toepassing is, omdat sprake is van kleinschalige detailhandel in de vorm van een gemakswinkel.
Eiseressen wijzen er verder op dat artikel 6.13 van de inmiddels geldende Omgevingsverordening ook geen absoluut verbod op detailhandel bevat. Zij wijzen op twee uitzonderingen in artikel 6.13, derde lid, onder a en f, van de Omgevingsverordening. Dat zijn de uitzondering voor detailhandel in volumineuze goederen en de uitzondering voor supermarkten net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen, als is aangetoond dat hiervoor onvoldoende ruimte is in een bestaande winkelconcentratie. Volgens eiseressen is de raad mogelijk van mening dat een van die situaties aan de orde is. Er is geen sprake van evidente strijd met artikel 6.13 van de Omgevingsverordening.
Verder stellen eiseressen dat provinciale staten ook rechtstreeks werkende regels in de Verordening hadden kunnen opnemen op grond van artikel 4.1, derde lid, van de Wro en dat gedeputeerde staten een reactieve aanwijzing hadden kunnen geven of beroep hadden kunnen instellen tegen het bestemmingsplan.
Artikel 6.13, derde lid, onder f, van de Omgevingsverordening is volgens het college duidelijk geschreven voor bijzondere situaties, zoals een supermarkt voor de verzorging van inwoners van een kleine dorpskern of een historische kern waarvoor geen andere locaties beschikbaar zijn. Die situatie doet zich hier niet voor.
Na de vaststelling van het bestemmingsplan is artikel 2.1.4 van de Verordening gewijzigd en uiteindelijk vervangen door het huidige artikel 6.13 van de Omgevingsverordening. Het college heeft artikel 4.1 van de planregels onverbindend geacht bij de beoordeling of de gevraagde omgevingsvergunning kan worden verleend. Daarom moet ook worden beoordeeld of nieuwe detailhandel op het perceel [adres] ook evident in strijd is met het op de datum van het bestreden besluit geldende artikel 6.13 van de Omgevingsverordening. Als de Omgevingsverordening zoals die op de datum van het bestreden besluit luidde niet meer aan nieuwe detailhandel in de weg zou staan, kan dat een reden zijn om artikel 4.1 van de planregels in dit concrete geval niet onverbindend te achten of buiten toepassing te laten.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat artikel 4.1 van de planregels, voor zover dat op dit perceel nieuwe detailhandel toestaat, evident in strijd is met artikel 2.1.4, eerste lid, van de Verordening. Het college kon zonder nader onderzoek vaststellen dat het perceel niet onder een van de drie categorieën van locaties valt. Gelet op de afstand van ongeveer 275 meter tot Hof van Portland en de tussenliggende wegen en bebouwing ligt het perceel niet binnen of direct aansluitend aan deze bestaande winkelconcentratie in het centrum van de wijk Portland. Daarnaast is geen sprake van een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk, alleen al omdat het perceel buiten de woonwijk ligt. De planologische mogelijkheid voor nieuwe detailhandel op deze plaats is ook niet het gevolg van herallocatie.
Voor zover eiseressen wijzen op de criteria in artikel 2.1.4, tweede lid, van de Verordening, overweegt de rechtbank dat die criteria alleen van toepassing zijn op nieuwe detailhandel als bedoeld in het eerste lid, dus op nieuwe detailhandel op een van de daar genoemde categorieën van locaties. Daarvan is in dit geval geen sprake.
Het college kon zonder nader onderzoek vaststellen dat de uitzonderingen in artikel 2.1.4, derde lid, van de Verordening niet van toepassing zijn. De beoogde supermarkt heeft volgens de aanvraag een gebruiksoppervlakte van 1.489 m2, terwijl volgens de toelichting bij de Verordening voor kleinschalige detailhandel als richtsnoer een oppervlakte van 200 m2 kan worden aangehouden. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank evident dat geen sprake is van kleinschalige detailhandel in de vorm van een gemakswinkel.
Artikel 6.13, derde lid, bevat een aantal uitzonderingen. Eiseressen hebben gewezen op de uitzonderingen onder a, sub 2, voor detailhandel in volumineuze goederen en onder f voor supermarkten net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen.
In bijlage I van de Omgevingsverordening is detailhandel in volumineuze goederen gedefinieerd als detailhandel waarbij het hoofdassortiment bestaat uit omvangrijke goederen waarvoor een grote uitstallingsruimte nodig is, zoals auto’s, boten en caravans. In de toelichting zijn andere voorbeelden van volumineuze goederen genoemd, waaronder grove bouwmaterialen, landbouwwerktuigen, zwembaden, surfplanken en tenten. Gelet hierop is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat de beoogde supermarkt niet valt onder detailhandel in volumineuze goederen. Ook is evident dat geen sprake is van een supermarkt net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen. De wijk Portland vormt met de aangrenzende woonwijken in Barendrecht een grote Vinex-locatie die niet kan worden beschouwd als kleine kern. Het college kon dit zonder nader onderzoek vaststellen.
Nu de vestiging van een supermarkt op het perceel [adres] ook evident in strijd is met artikel 6.13 van de Omgevingsverordening zoals die bepaling op de datum van het bestreden besluit luidde, heeft het college artikel 4.1 van de planregels in dit geval onverbindend kunnen achten (voor zover dat detailhandel toestaat).
Artikel 6:22Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Lid 2 Omvang van ontwikkelingen binnen de centra
Omgevingsverordening Zuid-HollandArtikel 6.13 Detailhandel
12.2.2 SeksinrichtingOnverminderd het bepaalde in lid 12.1 is het in ieder geval verboden bouwwerken te gebruiken voor een seksinrichting en voor detailhandelsdoeleinden, voor zover zulks niet expliciet is toegestaan ingevolge de bestemmingsbepalingen.