ECLI:NL:RVS:2023:1367
Raad van State
- Rechtspraak.nl
Toepassing en grenzen van het evidentiecriterium bij exceptieve toetsing van planregels in omgevingsrecht
Deze conclusie betreft het hoger beroep tegen een omgevingsvergunning voor een woontoren in Den Haag en richt zich op de rechtsontwikkeling rond de toetsing van regels van het omgevingsplan in vergunningprocedures.
Het evidentiecriterium, dat de bestuursrechter terughoudendheid oplegt bij exceptieve toetsing van onherroepelijke planregels, wordt in deze zaak kritisch bezien. De conclusie benadrukt dat het criterium in principe gehandhaafd kan blijven, behalve bij planregels met een dynamische verwijzing naar posterieure planologische beleidsregels, waarvoor een intensievere toetsing gerechtvaardigd is.
Verder wordt ingegaan op de gevolgen van het onverbindend achten van planregels. De conclusie stelt dat er geen automatische verplichting bestaat voor het college of de gemeenteraad om onverbindende planregels te vervangen, maar dat voorlopige voorzieningen mogelijk zijn om rechtszekerheid en belangen van betrokkenen te waarborgen.
De conclusie draagt bij aan de rechtsontwikkeling in het licht van de Omgevingswet en benadrukt het belang van een zorgvuldige afweging tussen rechtszekerheid, flexibiliteit en rechtsbescherming bij de toetsing van omgevingsplannen en beleidsregels.
Uitkomst: Het evidentiecriterium blijft van toepassing bij exceptieve toetsing van planregels, behalve bij dynamische verwijzing naar posterieure beleidsregels waarvoor een intensievere toetsing geldt.