Eiser betwistte de door de gemeente Rotterdam vastgestelde WOZ-waarde van zijn huurwoning, een portiekwoning uit 1954 met een gebruiksoppervlakte van 45 m², die was vastgesteld op €110.000,-. Verweerder legde een taxatierapport en waardematrix over ter onderbouwing van deze waarde, gebaseerd op vergelijkbare woningen in de buurt. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had aangetoond dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, met name omdat correctiepercentages voor verschillen in voorzieningen en onderhoud niet transparant waren verwerkt.
Eiser kon zijn lagere waarde van €99.000,- eveneens niet aannemelijk maken, omdat zijn taxatierapport niet inzichtelijk maakte hoe de waardering tot stand was gekomen. De rechtbank stelde daarom de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €106.000,- en vernietigde het bestreden besluit.
Verder werd het verzoek van eiser om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. De rechtbank oordeelde dat eiser als huurder geen financieel belang had bij de WOZ-waarde en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die spanning en frustratie aannemelijk maakten.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser, vermeerderd met wettelijke rente. Het beroep werd gegrond verklaard en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verlaagd.