Eiseres ontving sinds december 2019 een bijstandsuitkering en werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam beboet wegens het niet melden van bijschrijvingen van derden en contante stortingen op haar bankrekening in de periode april tot juni 2023. Het college stelde dat hierdoor ten onrechte bijstand werd ontvangen en legde een boete van €645,- op, gelijk aan 50% van het benadelingsbedrag van €1.290,-.
Eiseres voerde aan dat zij geen inkomsten had genoten en dat het college had moeten volstaan met een waarschuwing vanwege verminderde verwijtbaarheid. De rechtbank oordeelde echter dat eiseres redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij deze middelen moest melden en dat er geen dringende redenen waren om af te zien van een boete. Ook was sprake van normale verwijtbaarheid.
De rechtbank nam mee dat eiseres meerdere uitnodigingen voor gesprekken negeerde of voortijdig verliet, waarna haar recht op bijstand werd ingetrokken. Het beroep tegen deze intrekking was eerder ongegrond verklaard. Het college had het recht op bijstand herzien en het terugvorderingsbedrag vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de boete ongegrond en wees het griffierecht en proceskosten af.