ECLI:NL:CRVB:2023:1255
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en kregen in de periode van januari 2018 tot augustus 2019 diverse bijschrijvingen en een contante storting op hun bankrekeningen van hun meerderjarige kinderen. Deze inkomsten werden niet gemeld aan het college, wat leidde tot een herziening van de bijstand en terugvordering van € 10.976,49, alsmede een boete van € 901,99 na bezwaar en verlaging.
Appellanten voerden aan dat de ontvangen bedragen bedoeld waren als vergoeding voor boodschappen en uitgaven voor hun kinderen en dat zij niet hoefden te begrijpen dat deze gemeld moesten worden. Ook stelden zij dat het college tekort was geschoten in haar zorgplicht door niet duidelijk te maken dat dergelijke bedragen gemeld moesten worden.
De Raad oordeelde dat de bijstand een vangnetvoorziening is en dat het voor bijstandontvangers duidelijk moet zijn dat periodieke bedragen van derden die vrij besteed kunnen worden, invloed kunnen hebben op de bijstand en daarom gemeld moeten worden. Het college had appellanten gewezen op hun inlichtingenverplichting en de open norm daarvan vereist niet dat alle situaties vooraf worden toegelicht.
De schending van de inlichtingenverplichting was daarmee terecht vastgesteld, de herziening en terugvordering waren gegrond, en de boete was proportioneel en terecht opgelegd. Het hoger beroep van appellanten werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening, terugvordering en boete wegens schending van de inlichtingenverplichting.