Betrokkene kampt met multi-problematiek op het snijvlak van de Wet zorg en dwang (Wzd), de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de Wet forensische zorg (Wfz). De rechtbank moest bepalen welke wet van toepassing is voor de voortzetting van het verblijf. Betrokkene heeft een licht verstandelijke beperking, psychoses en een veroordeling voor zedendelicten.
De rechtbank oordeelt dat de Wzd-problematiek voorliggend is omdat de verstandelijke beperking de actuele zorgbehoefte bepaalt. De behandelaren bevestigen dat betrokkene vanwege zijn beperking niet in staat is adequate keuzes te maken en intensieve ondersteuning nodig heeft. De huidige accommodatie biedt de juiste deskundigheid voor zowel de verstandelijke beperking als de psychische ontregeling en forensische behandeling.
De rechtbank stelt vast dat voortzetting van het verblijf noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen, zoals lichamelijk letsel, maatschappelijke teloorgang en gevaar voor de veiligheid. Betrokkene verzet zich tegen voortzetting en ontkent psychotisch te zijn geweest. Desondanks wordt de machtiging verleend voor zes maanden, tot 5 augustus 2024, om continuïteit van zorg te waarborgen.
De beschikking is mondeling gegeven op 5 februari 2024 en schriftelijk uitgewerkt op 19 februari 2024. Tegen deze beschikking staat cassatie open.