De zaak betreft een vordering van een voormalig werknemer tegen zijn ex-werkgever ADM met betrekking tot de nakoming van een voorwaardelijke pensioenindexatie. De werknemer was tot 2020 in dienst en nam deel aan een pensioenregeling die tot 2013 bij Zwitserleven was ondergebracht. Na beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst met Zwitserleven in 2013 werd de pensioenregeling gewijzigd en ondergebracht bij het Pensioenfonds voor de Grafische bedrijven (PGB), waarbij opgebouwde rechten bij Zwitserleven achterbleven.
De werknemer vorderde een verklaring voor recht dat ADM gehouden is tot het faciliteren en financieren van een indexatie van zijn pensioenaanspraken conform de prijsindex, met terugwerkende kracht vanaf april 2019. Tijdens de zitting verduidelijkte hij dat het ging om nakoming van de voorwaardelijke indexatieafspraak, waarbij ADM jaarlijks een afweging moet maken om al dan niet te indexeren.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer geen recht heeft op een onvoorwaardelijke indexatie en dat ADM een discretionaire bevoegdheid heeft om jaarlijks te beslissen over indexatie, afhankelijk van financiële middelen. Hoewel ADM in het verleden meestal indexatie verleende, is dat sinds 2013 niet meer gebeurd. De kantonrechter achtte het redelijk dat ADM als goed ex-werkgever haar beslissing over het al dan niet indexeren toelicht aan haar ex-werknemers. De vorderingen werden afgewezen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.