De verdachte werd verdacht van medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen met het oog op moord op een persoon, waarbij hij samen met een medeverdachte observaties uitvoerde vanuit een gestolen auto en beeldmateriaal maakte van het slachtoffer en diens omgeving.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van vier jaar, stellende dat de verdachte met opzet handelde en nauw samenwerkte met de medeverdachte. Het bewijs bestond uit foto's, video's, afgeluisterde gesprekken en de context van het schietincident dat later plaatsvond.
De rechtbank oordeelde echter dat hoewel de gedragingen een serieuze verdenking opleverden en het gebruik van de voorwerpen bestemd kon zijn voor een misdrijf, niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op moord. Het dossier bood onvoldoende aanknopingspunten dat de verdachte wist dat de observaties en beelden specifiek voor moord waren bedoeld. Ook voorwaardelijk opzet kon niet worden bewezen.
De verdachte werd daarom vrijgesproken van het ten laste gelegde. De voorlopige hechtenis werd opgeheven en de inbeslaggenomen telefoons werden teruggegeven. De vordering van de benadeelde partij voor schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel was opgelegd.