In deze zaak verzocht een werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met haar sales director, die sinds 1999 in dienst is. De werkgever voerde meerdere ontbindingsgronden aan, waaronder de h-grond (andere gronden), disfunctioneren (d-grond), verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en een combinatie van omstandigheden (i-grond).
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever onvoldoende concrete bewijsstukken had overgelegd waaruit blijkt dat de werknemer zich niet kon vinden in de nieuwe koers van de onderneming. Ook was niet aannemelijk dat de werknemer disfunctioneerde, omdat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen om zijn functioneren te verbeteren. De verstoorde arbeidsverhouding beperkte zich tot de relatie tussen werknemer en bestuur, maar was niet van dien aard dat voortzetting van het dienstverband onredelijk was.
De kantonrechter concludeerde dat geen van de aangevoerde gronden een redelijke grond voor ontbinding vormde. Het verzoek werd afgewezen en de werkgever werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van concrete bewijsvoering en het bieden van een reële kans tot verbetering bij ontbindingsverzoeken.