In deze kortgedingprocedure vordert eiser betaling van achterstallig loon over de periode van 1 december 2023 tot 15 januari 2024, omdat gedaagde het loon niet heeft doorbetaald tijdens de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Gedaagde is niet verschenen, waarna verstek is verleend.
De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van spoedeisend belang en dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het bruto loon van €4.960,25, vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente, alsmede €621,03 aan buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast worden de proceskosten van eiser begroot op €1.048,42 en aan gedaagde opgelegd.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Alle overige vorderingen worden afgewezen. De uitspraak is gedaan door kantonrechter S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.