ECLI:NL:RBROT:2024:1212

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2024
Publicatiedatum
20 februari 2024
Zaaknummer
10878886
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 1 RvArt. 139 RvArt. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing loonvordering wegens niet doorbetaalde ziekteperiode in kort geding

In deze kortgedingprocedure vordert eiser betaling van achterstallig loon over de periode van 1 december 2023 tot 15 januari 2024, omdat gedaagde het loon niet heeft doorbetaald tijdens de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Gedaagde is niet verschenen, waarna verstek is verleend.

De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van spoedeisend belang en dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het bruto loon van €4.960,25, vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente, alsmede €621,03 aan buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast worden de proceskosten van eiser begroot op €1.048,42 en aan gedaagde opgelegd.

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Alle overige vorderingen worden afgewezen. De uitspraak is gedaan door kantonrechter S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, incassokosten en proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10878886 VV EXPL 24-16
datum uitspraak: 24 januari 2024 (bij vervroeging)
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser,
gemachtigde: mr. M. Blom,
tegen
[gedaagde01] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats01] ,
gedaagde,
niet verschenen.
De partijen worden ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 16 januari 2024, met bijlagen 1 tot en met 6;
  • de e-mail van mr. Blom, met bijlage 7.
1.2.
Op 23 januari 2024 is de zaak tijdens een zitting met [eiser01] en mr. Blom besproken. [gedaagde01] is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

2.De beoordeling

Ten aanzien van de eis
2.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Uit de stellingen van [eiser01] volgt dat deze spoed aanwezig is. De eis wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond is (artikel 139 Rv Pro). [gedaagde01] wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser01] van € 4.960,25 bruto aan loon over de periode van 1 december 2023 tot 15 januari 2024 (€ 3.417,06 bruto per maand), plus de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, omdat gesteld is dat [gedaagde01] het loon moet doorbetalen aan [eiser01] , vanwege zijn arbeidsongeschiktheid door ziekte, maar dat over deze periode niet meer heeft gedaan. Ook is [gedaagde01] € 621,03 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.
Proceskosten
2.2.
[gedaagde01] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser01] op
€ 139,42 aan dagvaardingskosten, € 248,- aan griffierecht, € 529,- aan salaris voor de gemachtigde en € 132,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.048,42. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.3.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] te betalen:
  • € 4.960,25 bruto aan loon over de periode van 1 december 2023 tot 15 januari 2024, met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, over de loonbedragen vanaf de data waarop deze verschuldigd zijn geworden;
  • € 621,03 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser01] worden begroot op € 1.048,42;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
465