Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2024:13210

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 december 2024
Publicatiedatum
3 januari 2025
Zaaknummer
C/10/690797 / JE RK 24-2640
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen

De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 9 en 10 december 2024 een verzoek ingediend tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen. De kinderen verblijven momenteel met hun moeder op een veilige, voor de vader onbekende locatie vanwege oplopende spanningen in de thuissituatie.

De ouders kampen met ernstige problemen, waaronder emotionele en verbale agressie van de vader, die suïcidale uitspraken doet en onder behandeling is bij een GGZ-instelling. De vrijwillige hulpverlening heeft onvoldoende verbetering gebracht. De moeder is angstig voor de vader en benadrukt de noodzaak van rust en regelmaat voor de kinderen.

De rechtbank oordeelt dat de ontwikkeling van de kinderen acuut en ernstig wordt bedreigd door de instabiele en onveilige thuissituatie. Daarom wordt de voorlopige ondertoezichtstelling voor drie maanden ingesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder verleend. De beslissing is direct uitvoerbaar en er wordt aandacht gevraagd voor het contact tussen de vader en de kinderen, met name vanwege de positieve invloed van de vader op de behandeling van een van de kinderen.

Uitkomst: De rechtbank stelt de kinderen voorlopig onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder voor drie maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/690797 / JE RK 24-2640
Datum uitspraak: 10 december 2024
Beschikking van de meervoudige kamer over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het mondelinge verzoek van de Raad van 9 december 2024, gevolgd door het schriftelijke verzoek met bijlagen, ontvangen op 10 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
  • de vader;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, Zuid-Holland (hierna: de GI), [persoon B] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven met de moeder op een bij de rechtbank bekend adres.

3.Het verzoek

De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij de moeder voor de duur van drie maanden te verlenen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en licht het als volgt nader toe. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zijn jonge en kwetsbare kinderen. Door de oplopende spanningen in de thuissituatie zijn de zorgen over hun welzijn en veiligheid toegenomen. De ouders kampen met problemen en worden overvraagd. De noodzakelijke hulpverlening komt in het vrijwillig kader onvoldoende van de grond, waardoor de situatie niet verandert. De kinderen verblijven nu samen met de moeder op een andere, voor de vader onbekende plek. In de komende periode is het van belang dat een jeugdbeschermer de regie voert en dat er verder onderzoek wordt gedaan naar wat nodig is om de situatie te verbeteren.
4.2.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Er zijn al een langere periode zorgen over de instabiele en onveilige opvoedsituatie van de kinderen. Hoewel de ouders meewerken aan hulpverlening, heeft dit nog niet geleid tot een verandering van de situatie. Het is positief dat de moeder nu op een veilige plek verblijft met de kinderen. Het is voor de komende periode van belang dat bezien wordt wat nodig is om de patronen te doorbreken en de veiligheid van de kinderen te waarborgen.
4.3.
De moeder stemt in met het verzoek. Zij geeft aan dat de thuissituatie onhoudbaar is. Er is sprake van enorme spanningen tussen de ouders. De moeder is angstig voor de vader, omdat hij is onvoorspelbaar is in zijn gedrag. Hij reageert emotioneel, doet suïcidale uitspraken of wordt verbaal agressief. De vader ondergaat behandeling bij Yulius, maar de moeder heeft onvoldoende zicht op het verloop daarvan. De vader praat er niet over. Het is goed dat zij nu samen met de kinderen elders verblijft. De moeder wenst het beste voor de kinderen. Het is in hun belang dat zij rust en regelmaat hebben. Er dient wel aandacht te zijn voor de schoolgang en het contact tussen de kinderen, in het bijzonder [voornaam minderjarige 1] , en de vader. [voornaam minderjarige 1] is gehecht aan de vader en hij heeft een positieve invloed op haar behandeling in verband met een eetstoornis.
4.4.
De vader geeft aan dat de informatie in de onderbouwing van het verzoek van de Raad deels juist is. De thuissituatie is inderdaad spanningsvol. De vader heeft last van trauma’s, stress en fysieke ongemakken, als gevolg waarvan hij emotioneel of verbaal agressief kan reageren op de moeder. De hulpverlening in het vrijwillig kader is ontoereikend geweest. In de afgelopen periode heeft de vader wel stappen gezet om de situatie te verbeteren. Hij krijgt behandeling bij Yulius en heeft medicatie voorgeschreven gekregen. Sinds maart 2024 hebben er minder incidenten plaatsgevonden. De kinderen zijn het allerbelangrijkste in het leven van de vader en hij zal hun veiligheid nooit in gevaar brengen. De vader is bang dat de behandeling van [voornaam minderjarige 1] stagneert als zij niet of nauwelijks contact met elkaar hebben, nu zij samen met de moeder elders verblijft. De vader heeft een goede invloed op [voornaam minderjarige 1] .

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting heeft de rechtbank het ernstige vermoeden dat de ontwikkeling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. Aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling wordt dus voldaan. [1] Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] uit huis worden geplaatst. [2] De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5.2.
De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd, omdat er sprake is van onveiligheid en instabiliteit in de thuissituatie. De ouders hebben al een lange tijd een spanningsvolle en onvoorspelbare relatie, waardoor zij onvoldoende in staat om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. De vader kampt met persoonlijke problematiek. Hij doet suïcidale uitspraken, reageert uit emotie en is verbaal agressief tegen de moeder. De kinderen zijn hier (in)direct getuige van en dat is belastend voor hen. De kinderen zijn kwetsbaar en kennen een grotere (opvoed)behoefte. Het afgelopen jaar is er in het vrijwillige kader hulpverlening ingezet om stabiliteit en veiligheid te creëren voor de kinderen. Dit heeft echter onvoldoende tot een verbetering van de situatie geleid. Dit komt onder meer doordat de ouders ambivalent zijn. De eerdergenoemde zorgen zijn daarom nog aanwezig. Daar komt bij dat de spanningen tussen de ouders op 9 december 2024 dusdanig hoog zijn opgelopen dat de moeder, samen met de kinderen, op een veilige plek is ondergebracht.
5.3.
Het is belangrijk dat de (opvoed)situatie voor de kinderen verbetert en dat er rust komt. De rechtbank stelt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] daarom voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Een jeugdbeschermer dient de regie te voeren en passende hulpverlening in te zetten. Het is belangrijk dat de ouders meewerken en hulpverlening accepteren. Het is positief te noemen dat de vader hulp heeft gezocht en wordt behandeld bij Yulius. Het is van belang dat deze behandeling wordt voortgezet, zodat de vader leert om zijn emoties te reguleren. In de tussentijd is het noodzakelijk dat de veiligheid van de kinderen wordt gewaarborgd. De rechtbank is daarom, gelet op de eerdergenoemde zorgen, tevens van oordeel dat een uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij de moeder voor de duur van drie maanden noodzakelijk is. De komende periode dient er aandacht te zijn voor de omgang tussen de vader en de kinderen, omdat de kinderen recht hebben op onbelast contact met de beide ouders en de vader een, onweersproken, positieve invloed heeft op [voornaam minderjarige 1] en haar behandeling.
5.4.
De rechtbank verklaart de beslissing wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als hoger beroep wordt ingesteld.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
stelt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 10 december 2024 tot 10 maart 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij de moeder met ingang van 10 december 2024 tot 10 maart 2025;
6.3.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024 door mr. G.M. Paling, voorzitter en tevens kinderrechter, mr. M.P.G. Rietbergen en mr. L.W.M. Hendriks, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. V. Lankhaar als griffier, en op schrift gesteld op 20 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan, voor zover deze ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing, worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 en Pro 1:257 Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).