Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 25 oktober 2024, met producties;
- de door AR1F Infra overgelegde producties.
Rechtbank Rotterdam
De werknemer trad op 15 september 2021 in dienst bij AR1F Infra op basis van een uitzendovereenkomst onder de ABU cao. Sinds 15 maart 2024 ontving hij geen salaris meer en vorderde hij betaling van achterstallig loon.
AR1F Infra betwistte de loonvordering deels, stellende dat de werknemer recht had op een Ziektewetuitkering tijdens ziekte en dat een andere cao van toepassing zou zijn. De kantonrechter oordeelde dat AR1F Infra onvoldoende bewijs leverde van loonbetaling na maart 2024 en dat het beroep op de Ziektewet niet slaagde omdat het einde van de uitzendovereenkomst niet was aangetoond.
De toepasselijke cao kon in dit kort geding niet definitief worden vastgesteld, maar voorshands werd aangenomen dat de werknemer recht had op 90% loon tijdens ziekte. De vordering tot betaling van loon vanaf 15 maart 2024 tot ziekmelding en na ziekteperiode werd toegewezen, evenals het vakantiegeld over mei 2024. De wettelijke verhoging werd gematigd tot 20% vanwege de financiële situatie van AR1F Infra.
AR1F Infra werd tevens veroordeeld tot het verstrekken van salarisspecificaties en tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: AR1F Infra wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, loon tijdens ziekte tegen 90%, vakantiegeld en wettelijke verhoging van 20%.