Werknemer was sinds 7 september 2020 in dienst bij Werkgever, aanvankelijk voor bepaalde tijd, later stilzwijgend voortgezet tot een contract voor onbepaalde tijd. Op 17 oktober 2023 werd Werknemer samen met zijn vader beschuldigd van diefstal van bedrijfsmiddelen, waarna zij ontslag namen. Werkgever deed op 28 november 2023 aangifte van verduistering.
Werknemer verzocht om betaling van een aanzegvergoeding van €3.011,42 bruto omdat Werkgever hem niet tijdig schriftelijk had geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van het contract. Werkgever vorderde een schadevergoeding van €2.371,32 wegens vermeende diefstal door Werknemer.
De kantonrechter oordeelde dat Werkgever de aanzegvergoeding verschuldigd is omdat de schriftelijke aanzegging ontbrak, ondanks mondelinge mededelingen. Echter, de toekenning hing af van het bewijs van diefstal. Werkgever kon onvoldoende aantonen dat Werknemer betrokken was bij diefstal of verduistering van bedrijfsmiddelen. Videobeelden en andere feiten wezen niet op schuld van Werknemer.
Daarom werd het verzoek van Werkgever tot schadevergoeding afgewezen en werd Werkgever veroordeeld tot betaling van de aanzegvergoeding met rente vanaf 7 september 2023. Tevens werd Werkgever veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €922. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.