Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 maart 2024 in de zaak tussen
[naam eiser], uit [plaatsnaam], eiser
Inleiding
1.6. Eiser heeft vervolgens nog een verzoek om schadevergoeding ingediend.
Totstandkoming en inhoud van de besluiten
Beoordeling door de rechtbank
P-Direkt maakt dit niet anders. Ter zitting is namens de minister afdoende toegelicht dat dit ziet op het beheer en de werking van P-Direkt, maar niet op de gegevens die de instanties die gebruik maken van P-Direkt daarin opnemen.
.Eiser wijst er slechts op dat het niet aannemelijk is dat er niet meer persoonsgegevens zijn, maar maakt niet concreet waarom dit het geval zou moeten zijn. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat er meer persoonsgegevens van eiser, ook niet in ruime zin, in de doorzochte documenten verwerkt moeten zijn dan in de twee door de minister verstrekte overzichten is vermeld. Dat de minister een te beperkte, met het Nowak-arrest strijdige uitleg heeft gegeven aan het begrip persoonsgegevens, is de rechtbank, nadat kennis is genomen van de zogenaamde 8:29 Awb stukken, ook niet gebleken.
.In het verweerschrift heeft de minister daaraan toegevoegd dat indien het, zoals eiser stelt, niet mogelijk is om deze beperkingsgrond in te roepen, er een beroep wordt gedaan op artikel 15, vierde lid, van de AVG. Ditzelfde geldt voor documenten waarin de minister eisers inzagerecht heeft beperkt op grond van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder i, van de UAVG ter bescherming van de belangen van derden.
.Daarvoor is niet vereist dat de minister, zoals eiser heeft aangevoerd, in alle gevallen de volledige zin of passage waarin eisers persoonsgegeven staat vermeld weergeeft. Voor wat betreft de louter identificerende persoonsgegevens, zoals eisers naam of de aanduiding ‘melder(s)’, valt niet in te zien dat de minister meer gegevens uit het betreffende document in het overzicht had moeten vermelden nu daarin verder niets over eiser wordt gezegd. Zoals namens de minister ter zitting terecht naar voren is gebracht bestaan er andere wegen voor het verkrijgen van deze informatie, bijvoorbeeld het indienen van een verzoek op grond van de Wet open overheid. Bovendien heeft de minister in het overzicht wel enige contextinformatie gegeven zodat eiser in staat moet worden geacht daaruit te kunnen opmaken in welke context zijn persoonsgegeven is opgenomen. Meer specifiek voor wat betreft de in het overzicht opgenomen whatsapp-conversaties is ter zitting namens de minister toegelicht dat deze berichten op onderwerp zijn gebundeld. Sommige documenten bevatten dan ook meerdere whatsapp-gesprekken en/of gesprekken over een langere periode waardoor het overzicht geen specifieke datumaanduiding vermeldt, maar gekozen is voor een periode-aanduiding. De rechtbank acht dit niet in strijd met artikel 15 van Pro de AVG. Het is ook niet noodzakelijk dat alle doorverwerkingen van documenten met eiser betreffende persoonsgegevens in een overzicht worden opgenomen, voor zover deze doorverwerkingen in het kader van hetzelfde verwerkingsdoeleinde hebben plaatsgevonden.
Conclusie en gevolgen
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het AVG verzoek niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 20 december 2019 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de Staat de Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 3.000,-;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden.
mr. M. de Rijke, in aanwezigheid van mr.L. Meijer, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 8 maart 2024.