ECLI:NL:RBROT:2024:2398
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waardestelling woningen Rotterdam per 1 januari 2021
Eiser is eigenaar van twee woningen in Rotterdam waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2021 is vastgesteld op respectievelijk €146.000 en €236.000. Hij maakte bezwaar tegen deze waardebepalingen en stelde dat de waarde te hoog is vastgesteld, dat de heffingsambtenaar stukken niet heeft verstrekt en dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aan zijn verplichtingen tot het verstrekken van stukken heeft voldaan, waaronder het toezenden van taxatieverslagen met matrixen en grondstaffels. De bouwtekeningen en iWOZ-kaarten behoefden niet te worden verstrekt omdat eiser onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat deze relevant zijn.
De waardebepaling is volgens de rechtbank op juiste wijze verricht met een systematische vergelijking van vergelijkbare woningen. De door eiser aangevoerde bezwaren, zoals onduidelijkheid over indexering en onjuistheden in vergelijkingsobjecten, leiden niet tot een ander oordeel. Ook is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat de woningen niet identiek zijn aan de vergelijkingsobjecten.
De beroepen worden daarom ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen teruggaaf van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Ferwerda op 12 maart 2024.
Uitkomst: De beroepen tegen de WOZ-waardestelling worden ongegrond verklaard en de waardes gehandhaafd.