Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 17 oktober 2022;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 24 november 2022;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw van 1 december 2022;
- de aanvullende zelfstandige verzoeken met bijlagen van de man, ingekomen op
- het verweerschrift op de aanvullende zelfstandige verzoeken, tevens aanvullend verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 28 maart 2023;
- het verweerschrift op het aanvullend verzoek met bijlagen van de man van 11 augustus 2023;
- de berichten met bijlage(n) van de vrouw van 4, 11 en 15 januari 2024;
- het bericht met bijlagen van de man van 12 januari 2024.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door mr. J.A.J. Hendriks, waarnemend advocaat.
2.De vaststaande feiten
3.De beoordeling
Het verrekentijdvak
Kamerstukken II2002/03, 28 867, nr. 3, p. 27).
Kamerstukken II2019/20, 35 348, nr. 3, p. 16) heeft deze aanpassing een taalkundige achtergrond, waarvoor Nuytinck (
WPNR2013/6975) al een lans brak en die eerder was opgenomen in het ingetrokken wetsvoorstel 34 118 (Wet scheiden zonder rechter).
Het inkomstenbegip in de huwelijkse voorwaarden
Het te verrekenen vermogen
(HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2012:BU659) de verrekenvordering ter zake een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding ontstaat op het tijdstip genoemd in artikel 1:142 lid 1 sub b BW Pro, te weten het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Vanaf dat tijdstip is de echtgenoot op wie ingevolge de verrekenplicht een betalingsverplichting rust over het (achteraf vast te stellen) verschuldigde bedrag de wettelijke rente verschuldigd.
- a) € 11.717,- ter zake de nakoming van twee schuldigerkenningen (€ 31.000,- in 2012 en € 10.000,- in 2003);
- b) € 38.765,- ter zake door de man in de periode 2003 t/m 2021 van de rekening van de vrouw naar zijn rekening overgeboekte bedragen;
- c) € 13.900,- aan cashopnames van de bankrekening van de vrouw die de man direct daarna heeft gestort op zijn bankrekening in de periode 2013 t/m 2020;
- d) € 11.959,- aan door de vrouw ten behoeve van de man betaalde pensioenpremie over de periode 1997 t/m 2007.
4.De beslissing
mr. E.S. Jansen, griffier, op 18 april 2024.