Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 12 maart 2024, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de brief van [eiser] van 26 maart 2024, met één bijlage.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een loonvordering van een uitzendkracht die na afloop van een uitzendovereenkomst fase 1/2 werkzaamheden bleef verrichten, waarna vervangend werk met laden en lossen werd aangeboden. De uitzendkracht weigerde dit vanwege rugklachten, maar kon dit niet met medische bewijs onderbouwen en had hierover geen afspraken met de werkgever gemaakt.
De kantonrechter oordeelt dat de uitzendovereenkomst op grond van de wet stilzwijgend is voortgezet en dat de aangeboden werkzaamheden binnen de functieomschrijving van chauffeur vallen. De weigering van de uitzendkracht om het vervangend werk uit te voeren is onterecht, waardoor de loonbetalingsverplichting is komen te vervallen.
Daarom worden de primaire en subsidiaire loonvorderingen afgewezen, evenals het verzoek tot wedertewerkstelling en vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De uitzendkracht wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De loonvordering en het verzoek tot wedertewerkstelling worden afgewezen wegens onterechte werkweigering; eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.