Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het verzoekschrift van [verzoekster] (ontvangen op 12 februari 2024), met producties;
- de brief van [verzoekster] van 22 maart 2024, met productie.
Rechtbank Rotterdam
De werknemer was sinds oktober 2020 in dienst bij de vennootschap onder firma als medewerker schoonmaakonderhoud. Na bevallingsverlof en vakantie meldde zij zich ziek, waarna de werkgever per januari 2024 de loondoorbetaling staakte vanwege het niet naleven van verzuimvoorschriften.
De werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen wegens schending van re-integratieverplichtingen en subsidiair wegens onredelijkheid van voortzetting. De werknemer verscheen niet op de zitting en gaf geen schriftelijk verweer.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer haar re-integratieverplichtingen niet nakwam, niet bereikbaar was voor contact met de bedrijfsarts en werkgever, en niet op spreekuren verscheen. Hierdoor was sprake van verwijtbaar handelen, wat een redelijke grond voor ontbinding vormt. Het opzegverbod wegens ziekte verviel doordat de werknemer haar medewerking aan re-integratie weigerde.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juni 2024, rekening houdend met opzegtermijn en procedureduur. De werknemer heeft recht op een transitievergoeding van €710,86 bruto. De werknemer wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €808,-. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juni 2024 wegens verwijtbaar handelen van de werknemer met toekenning van een transitievergoeding en veroordeling in proceskosten.