ECLI:NL:RBROT:2024:4476
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum bijstandsuitkering na intrekking Ziektewetuitkering
Eiser heeft een bijstandsuitkering aangevraagd na het einde van zijn Ziektewetuitkering (Zw-uitkering) die op 18 maart 2023 werd ingetrokken. Het college kende de bijstand toe vanaf de meldingsdatum 7 april 2023 en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. Eiser stelde dat de uitkering eerder had moeten ingaan, aansluitend op het einde van de Zw-uitkering, en verwees naar zijn gezondheidssituatie en betalingsachterstanden.
De rechtbank toetste het besluit aan artikel 44 van Pro de Participatiewet en vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, die stelt dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Eiser kon geen bijzondere omstandigheden aantonen, zoals een eerdere aanvraag of acties richting het college of UWV die een eerdere toekenning zouden rechtvaardigen.
Het college voerde een buitenwettelijk begunstigend beleid waarbij een termijn van 10 werkdagen na afwijzing van een andere uitkering als redelijk wordt beschouwd voor het melden van een bijstandsaanvraag. Eiser had zich pas na deze termijn gemeld. De rechtbank concludeerde dat het college het beleid consistent heeft toegepast en dat het beroep ongegrond is.
Verder oordeelde de rechtbank dat het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden, mede omdat eiser een betalingsregeling heeft getroffen voor zijn achterstanden. De rechtbank wees het beroep af, bevestigde de ingangsdatum van 7 april 2023 en veroordeelde eiser tot het betalen van griffierecht zonder proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de ingangsdatum van de bijstandsuitkering op 7 april 2023.