ECLI:NL:RBROT:2024:4790
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugshandel
Verzoekster woont met haar kinderen in een woning die door de burgemeester voor zes maanden is gesloten vanwege een overtreding van de Opiumwet. Tijdens een politieonderzoek werden 110 gram harddrugs, verpakkingsmateriaal, weegschalen en een groot geldbedrag aangetroffen. Verzoekster betwist de noodzaak van sluiting en stelt dat haar meerderjarige zoon, die eerder al is beboet voor drugshandel, zonder haar medeweten de drugs in de woning had.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, gelet op de omvang van de aangetroffen drugs die de toegestane gebruikershoeveelheid ruim overschrijdt. De aanwezigheid van druggerelateerde goederen en een melding van Meld Misdaad Anoniem ondersteunen het vermoeden van handel vanuit de woning. De sluiting is noodzakelijk ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde.
Verzoekster voert medische klachten aan en stelt dat zij gebonden is aan deze woning, maar de rechter vindt dit onvoldoende onderbouwd. Ook het feit dat zij maatregelen heeft genomen na eerdere overtredingen door haar zoon doet niet af aan haar verantwoordelijkheid als hoofdbewoner. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het algemeen belang zwaarder weegt dan het belang van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, waardoor de woning gesloten blijft voor zes maanden. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen en de woning mag voor zes maanden worden gesloten.