Eiser ontvangt sinds september 2019 een WIA-uitkering. Verweerder stelde op basis van een externe melding en onderzoek vast dat eiser inkomsten uit arbeid had genoten in de periode november 2019 tot en met december 2021, zonder dit te melden. Hierdoor werd de uitkering herzien en teruggevorderd, en werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
Eiser betwistte het bestaan van deze inkomsten en de rechtmatigheid van de boete, onder meer vanwege het ontbreken van een rechtsgeldig boeterapport. Verweerder stelde dat uit bankafschriften en onderzoek voldoende aannemelijk was gemaakt dat eiser werkzaamheden verrichtte en inkomsten ontving, en dat het boeterapport tijdig en rechtsgeldig was opgemaakt.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende feiten had aangedragen om de inkomsten aannemelijk te maken en dat eiser onvoldoende tegenbewijs had geleverd. De boete was passend en het boeterapport voldeed aan de wettelijke eisen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de boete vastgesteld op €40, met vergoeding van kosten in bezwaar.