ECLI:NL:CRVB:2017:3415
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WIA-uitkering wegens niet-naleving inlichtingenplicht
Appellant ontving vanaf 31 augustus 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Naar aanleiding van een melding dat appellant tijdens de uitkeringsperiode werkzaam was bij het bedrijf van zijn ex-echtgenote, heeft het UWV een onderzoek ingesteld. Dit leidde tot de conclusie dat appellant sinds 1 juni 2012 drie dagen per week werkzaamheden verrichtte zonder dit door te geven.
Het UWV herzag de uitkering over de periode 1 juni 2012 tot 31 augustus 2013 en vorderde €8.344,21 terug. Tevens legde het UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond en stelde de boete vast op €1.170,-.
In hoger beroep betwist appellant de omvang en aard van zijn werkzaamheden en stelt dat deze meer hobbymatig waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de verklaringen en stukken voldoende bewijs leveren dat appellant werkzaamheden verrichtte die van invloed waren op zijn recht op uitkering. De Raad bevestigt de herziening, terugvordering en boete, en wijst het hoger beroep af.
De Raad overweegt dat het UWV terecht mocht uitgaan van een schatting van drie dagen per week en dat appellant zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen. Het ontbreken van concrete tegenbewijs en het niet aanvoeren van aparte gronden tegen de terugvordering leiden tot bevestiging van het bestreden besluit.
De uitspraak is gedaan door voorzitter Rottier en leden Van Dun en Schoor, en uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering en handhaaft de boete van €1.170,- wegens schending van de inlichtingenplicht.