Uitspraak
[naam 1],
[naam bedrijf 1], uit [plaatsnaam 1], de eigenaar,
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
de Staat der Nederlanden (namens deze, de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat
;
[naam 10]en
[naam 11], uit [plaatsnaam 2], de buren,
Inleiding
Nadere toelichting op de totstandkoming van de besluiten
Het beroep van de studenten
Het beroep van de eigenaar
Het standpunt van de buren tegen het bestreden besluit
Ten aanzien van het bestreden besluit betogen de buren dat niet is voldaan aan artikel 3.2.5 van de Huisvestingsverordening omdat er geen sprake is van een positieve invloed op het woonmilieu en de leefbaarheid in de buurt. Er is sprake van overlast. Dat blijkt uit klachten, aangiften, gemelde overlast en een verklaring van de wijkagent. Vanwege uitlatingen van het college mochten de buren er bovendien gerechtvaardigd op vertrouwen dat er geen vergunning voor kamerbewoning zou worden verleend.
Beoordeling door de rechtbank
In onderhavige kwestie wordt namens [naam 1], wonende te [plaatsnaam 2] aan [adres 1] (en zijn medebewoners als belanghebbenden) beroep ingesteld tegen bijgevoegde beslissing op bezwaar van het college van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam (hierna het college) van 24 juni 2021, (…)”.
“Onder verwijzing naar uw brief van 26 juli 2021 kan ik als volgt opgave doen van de namen van de medebewoners van [adres 1]:
1. [naam 2];
2. [naam 3];
3. [naam 4];
4. [naam 5];
5. [naam 6]
6. [naam 7];
7. [naam 8];
8. [naam 9].”
op dat momentgeen vergunning voor kamerbewoning zou verlenen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze uitlating niet kan leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in die zin dat deze uitlating in de weg zou moeten staan aan latere vergunningverlening naar aanleiding van een op een later moment daartoe ingediende aanvraag. Bovendien is de betreffende last onder dwangsom door het college op enig moment bovendien weer ingetrokken. Ten aanzien van het e-mailbericht van 20 december 2020 waarop de buren zich in het kader van hun beroep op het vertrouwensbeginsel beroepen, stelt de rechtbank vast dat met dat bericht vanuit de gemeente enkel een reactie is gegeven op een klacht die de buren hadden ingediend tegen de burgemeester. De reactie namens de burgemeester luidde onder meer:
Allereerst betreuren wij het dat uw buurpanden al enige tijd voor een vervelende ervaring zorgen, met aan de ene kant de lang lopende procedures en aan de andere kant de overlast die u hiervan ondervindt. Daarbovenop werd u kortgeleden geconfronteerd met een vergunning voor kamerbewoning voor het pand aan [adres 1]. Wij begrijpen dat dit bij u voor onbegrip zorgt, gezien het eerder genomen besluit door het college om hier handhavend tegen op te treden en de lopende procedures hierover bij de rechtbank. Zoals telefonisch ook aangegeven, had deze procedure niet mogen worden doorkruist en had deze vergunning niet of in ieder geval nog niet mogen worden verleend. (…)”
Conclusie en gevolgen
De beroepen van student [naam 4], [naam 7], [naam 8], [naam 9] en de eigenaar tegen het bestreden besluit zijn, voor zover gericht tegen het voornemen om handhavend op te treden en de last onder dwangsom, daarom eveneens gegrond. De rechtbank zal dus het gehele bestreden besluit (te weten de afwijzing van de aanvraag kamerbewoning, het handhavingsbesluit en de last onder dwangsom) vernietigen.