ECLI:NL:RVS:2020:2606
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- G.T.J.M. Jurgens
- J. Gundelach
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke afwijzing voorziening Calamiteitenfonds Mijn(water)schade Limburg wegens niet-hoofdbewoning
De zaak betreft een verzoek om een voorziening uit het Calamiteitenfonds Mijn(water)schade Limburg voor een woning in Brunssum, die schade vertoont door mijnbouwactiviteiten. Het bestuur wees het verzoek aanvankelijk af, maar keerde dit besluit later om en kende de voorziening toe. Na het overlijden van de oorspronkelijke verzoeker zetten de erfgenamen de procedure voort. Het bestuur trok de toekenning weer in omdat de woning niet als hoofdwoning werd bewoond, wat volgens de regeling een vereiste is.
De rechtbank verklaarde het beroep van de erven tegen het intrekkingsbesluit gegrond en vernietigde dit besluit. Het bestuur ging in hoger beroep, stellende dat de brief waarin de procedure werd voortgezet geen besluit was en dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de brief geen besluit is, maar dat het bestuur wel toezeggingen heeft gedaan waaruit de erven gerechtvaardigde verwachtingen mochten ontlenen dat het hoofdbewonerscriterium niet aan hen zou worden tegengeworpen.
De Afdeling bevestigde dat het bestuur in strijd met het vertrouwensbeginsel handelde door de intrekking van de toekenning en de afwijzing van de aanvraag. Het bestuur had in redelijkheid van deze intrekking moeten afzien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het bestuur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de erven.
Uitkomst: Het hoger beroep van het bestuur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij het bestuur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.