ECLI:NL:RVS:2020:1155
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging bestuurlijke boete voor onttrekken woonruimte zonder vergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde een bestuurlijke boete van €4.000 op aan [wederpartij] wegens het zonder vergunning onttrekken van woonruimte in een tweekamerappartement te Rotterdam. De rechtbank verklaarde het bezwaar van [wederpartij] gegrond en vernietigde het boetebesluit, omdat de Huisvestingsverordening 2017, waarop het boetebesluit was gebaseerd, onverbindend werd geacht wegens strijd met artikel 2 van Pro de Huisvestingswet 2014.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de gehele Huisvestingsverordening 2017 onverbindend had verklaard, maar bevestigde dat hoofdstuk 3 van deze verordening, dat het verbod tot onttrekking zonder vergunning regelt, buiten toepassing moet blijven vanwege een gebrekkige motivering en onvoldoende onderbouwing van de schaarste aan goedkope woonruimte.
De Afdeling concludeerde dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van noodzakelijke en geschikte maatregelen ter bestrijding van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte, zoals vereist door artikel 2 van Pro de Huisvestingswet 2014. Daarom blijft de uitspraak van de rechtbank in stand en wordt het hoger beroep ongegrond verklaard. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de vernietiging van de bestuurlijke boete blijft in stand.