ECLI:NL:RBROT:2024:6024
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering tot uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens gedragsproblemen en recidivegevaar
De veroordeelde is bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar en 6 maanden, met voorwaardelijke invrijheidstelling gepland op 28 juni 2024. Het openbaar ministerie heeft op 12 juni 2024 een vordering ingediend tot uitstel van deze invrijheidstelling voor de duur van 365 dagen, gebaseerd op een summier reclasseringsrapport en negatief advies van de Penitentiaire Inrichting.
Tijdens de openbare terechtzitting op 12 juni 2024 heeft de rechtbank het openbaar ministerie, de veroordeelde met raadsman en een reclasseringsdeskundige gehoord. De officier van justitie persisteerde in de vordering, maar stemde in met een aanhouding van de zaak voor drie maanden vanwege het summiere rapport. De veroordeelde en zijn raadsman verzetten zich tegen het uitstel en benadrukten het uitgangspunt van voorwaardelijke invrijheidstelling en het belang van zorgvuldigheid.
De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde zich ernstig heeft misdragen tijdens detentie, met meerdere disciplinaire straffen en een niet-meewerkende houding bij re-integratie. Het recidiverisico kan onvoldoende worden ingeperkt door het stellen van voorwaarden. Daarom acht de rechtbank het noodzakelijk dat de reclassering een gedegen onderzoek kan verrichten, waarna een advies kan worden uitgebracht. De rechtbank wijst de vordering toe voor een termijn van 90 dagen, waarmee de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe voor een periode van 90 dagen.