Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaatsnaam], eiseres,
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Dat, aldus eiseres, bij het taxeren van huurwoningen in ieder geval de woningwaarde voor en na de planologische wijziging moet worden berekend, óók als niet zou zijn gebleken dat de woning is komen leeg te staan of minder huuropbrengsten heeft gegenereerd, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit vaste rechtspraak, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:250, en vloeit evenmin voort uit de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF7018. Dat geschil zag ook op het bedrijfsmatig exploiteren van woonruimte. In dat verband heeft de Afdeling overwogen dat het voor de beoordeling van de zich mogelijk voordoende schade, van doorslaggevende betekenis is of de te genereren huurinkomsten uit de panden door de planologische wijziging beïnvloed zijn.
Dat eiseres de huurprijzen niet zou kunnen verhogen als gevolg van de beperkte planologische verslechtering, is niet aannemelijk geworden.