ECLI:NL:RBROT:2024:6777

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 juli 2024
Publicatiedatum
22 juli 2024
Zaaknummer
ROT 23/3450
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10 WaboArt. 2.7 Regeling omgevingsrechtArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen omgevingsvergunning verbouwing pand na herstel constructieberekening

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem voor het verbouwen van een pand tot twee woningen. De rechtbank heeft in een tussenuitspraak een gebrek geconstateerd in het besluit, met name vanwege onvoldoende aannemelijkheid dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012, mede door een rioolgewelf onder het pand.

Het college heeft dit gebrek hersteld door een nieuwe constructieberekening en -tekening te overleggen, waarin een funderingsmethode is uitgewerkt die het rioolgewelf niet belast. Deze documenten zijn akkoord bevonden door de gemeentelijke constructeur. De rechtbank acht de wijzigingen van ondergeschikte aard en volgt de motivering van het college.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het college het gebrek heeft hersteld. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. Het beroep op andere punten zoals toetsing aan de dubbelbestemming en slopen is afgewezen zoals in de tussenuitspraak vermeld.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de omgevingsvergunning blijft in stand vanwege herstel door het college.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/3450

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2024 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam 1], eiseres

(gemachtigde: mr. K. Keijsers),
en

het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem,

(gemachtigde: [naam 1]).
Als derde-partij neemt aan het geding deel
[naam 2]uit [plaatsnaam 2] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. A. Menhart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een pand tot twee woningen.
1.1.
Met het besluit van 9 september 2022 (het primaire besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor het verbouwen van een pand tot twee woningen aan [adres] (het perceel). Met het bestreden besluit van 4 april 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 februari 2024 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. M. Beukema-Veldkamp, waarnemer van haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.4.
In de tussenuitspraak van 8 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3312 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.5.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak met het besluit van 2 mei 2024 een aanvullende motivering ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 18 juni 2024 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Het bestreden besluit is een besluit genomen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit is ingediend voor 1 januari 2024, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.
3.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat, gelet op het rioolgewelf waar het bouwplan op wordt gebouwd ofwel niet aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012, zoals bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo, dan wel dat er sprake is van een uitzondering zoals genoemd in artikel 2.7 van de Regeling omgevingsrecht (hierna: de Mor). Dit is in strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Hiervan heeft het college gebruik gemaakt. Om het gebrek te herstellen, moest het college:
  • of motiveren waarom de aangepaste constructieberekening en -tekening onder de uitzonderingsbepaling van artikel 2.7, eerste lid, van de Mor vallen;
  • of de aangepaste constructieberekening en -tekening beoordelen. Naar aanleiding van de resultaten van de beoordeling door de gemeentelijk constructeur, moet het college toereikend motiveren dat aannemelijk is dat aan artikel 2.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan. Als dat op grond van de beoordeling niet aannemelijk is, moet het college de omgevingsvergunning voor het bouwen alsnog weigeren.
3.2.
Het beroep voor zover dat gaat over toetsing aan de dubbelbestemming “Waarde – Beschermd Stadsgezicht” en slopen, slaagt niet. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
Herstel
4. Het college heeft op 2 mei 2024 de gewijzigde omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder. Vergunninghouder heeft een constructieberekening en -tekening aangeleverd waarin een manier van funderen wordt uitgewerkt waarbij het rioolgewelf niet wordt aangetast. De begane grondvloer zal aan één zijde (aan de zijde waar het rioolgewelf zit) worden ingekast in de bestaande muur. Halverwege de begane grondvloer wordt een slof in de grond aangebracht waarop de vloer ook rust. Zodoende wordt het onderliggende rioolgewelf niet belast door de vloerconstructie. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande fundering, waarbij als uitgangspunt is genomen dat hierop eerder een pand met drie verdiepingen heeft gestaan. Op verzoek van het college heeft vergunninghouder dit onderbouwd met een luchtfoto uit het Gorcums Archief. De aangeleverde constructieberekening en -tekening zijn op 25 april 2024 akkoord bevonden door de constructeur van de gemeente. Als aandachtspunt is genoemd dat de bestaande fundering van de voor- en achtergevel ter plaatse van het rioolgewelf in het werk bekeken moet worden. Vergunninghouder heeft in reactie daarop in de doorsnedetekeningen op 1 mei 2024 vermeld: “bestaande fundering in het werk te controleren”.
Gelet op voorgaande is volgens het college aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012.
4.1.
De gevonden oplossing voor de constructie van de begane grondvloer leidt tot enkele aanpassingen van plattegronden en doorsnedentekeningen. De begane grondvloer komt gedeeltelijk 40 cm hoger te liggen, terwijl bij de entree de vloer op ongeveer straatniveau blijft. Om voldoende plafondhoogte te behouden wordt ook het peil van twee verdiepingsvloeren iets gewijzigd, waarbij de goot- en nokhoogte hetzelfde blijven. De eerste en tweede verdiepingsvloer komen respectievelijk circa 25 cm en 12 cm hoger te liggen. Volgens het college betreffen dit wijzigingen van ondergeschikte aard, omdat het verhogen van de begane grondvloer vooral inpandige wijzigingen meebrengt. De aanpassing van het peil van de verdiepingsvloeren is nauwelijks zichtbaar van de buitenzijde en de goot- en nokhoogte wijzigen niet. Bij de gewijzigde omgevingsvergunning zijn de statische berekening en tekeningen gevoegd van 24 april 2022.
Overwegingen
5. De rechtbank is van oordeel dat de wijzigingen die de nieuwe manier van funderen met zich heeft gebracht van ondergeschikte aard zijn. De rechtbank volgt daarin de motivering van het college die is gegeven onder 4.1. Dat betekent dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op het besluit van het college van 2 mei 2024 tot wijziging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen belang bij deze wijziging.
5.1.
Met de nieuwe constructieberekening en -tekening en de toetsing daarvan door de gemeentelijke constructeur is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Eiseres heeft hier niets tegenin gebracht waaruit een ander standpunt zou moeten blijken. Het college heeft met het herstel een omgevingsvergunning kunnen verlenen voor het bouwplan van vergunninghouder.
5.2.
Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.
5.3.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
5.4.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 875,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.750,-. Eiseres heeft op zitting nog overige kosten aangevoerd. Het gaat daarbij om reis- en verblijfkosten en verletkosten. De rechtbank kent een vergoeding toe voor de reiskosten van eiseres en haar partner ter hoogte van € 40,10 voor openbaar vervoer vanaf Gorinchem naar Rotterdam Centraal. Het verzoek om vergoeding van de verletkosten is niet onderbouwd en wijst de rechtbank daarom af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.790,10.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.