ECLI:NL:RBROT:2024:812
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid ondanks onvolledig gemotiveerd besluit
Eiseres, werkzaam als schoonmaakster, ontving sinds 2011 een WGA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Verweerder beëindigde deze uitkering per 11 februari 2019 omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Eiseres stelde dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen en betwistte de medische beoordeling. De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep grotendeels bevestigde, met enkele aanvullende beperkingen die echter in de geduide functies waren verwerkt.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit op enkele ondergeschikte punten onjuist medisch was gemotiveerd en daarmee niet deugdelijk was, maar dat eiseres hierdoor niet benadeeld was omdat de functies passend bleken. De mate van arbeidsongeschiktheid werd terecht vastgesteld op minder dan 35%, waardoor de beëindiging van de WIA-uitkering gerechtvaardigd was.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten van €2.187,50 aan eiseres. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarbij de schending van het motiveringsvereiste werd gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro. De uitspraak is gedaan door rechter S.M. Goossens op 26 januari 2024.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering blijft in stand.