ECLI:NL:CRVB:2021:1587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit beëindiging Ziektewetuitkering ondanks bezwaar en beroep
Appellant, voormalig baliemedewerker, werd per 1 januari 2016 zijn Ziektewetuitkering beëindigd omdat hij volgens het UWV meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Na bezwaar en beroep werd dit besluit bevestigd. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanwege psychische klachten en dunnevezelneuropathie niet over benutbare mogelijkheden beschikte en dat de beperkingen onvoldoende waren vastgesteld.
De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat appellant wel belastbaar was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld, met uitzondering van enkele kleine aanpassingen. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren ondanks de beperkingen.
De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat het hoger beroep ongegrond was. Hoewel het UWV de FML in hoger beroep wijzigde zonder deugdelijke motivering, werd dit gebrek gepasseerd omdat appellant niet werd benadeeld. De Raad veroordeelde UWV en de Staat tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten. Het verzoek om wettelijke rente werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.